Tussen spiegels

In een serie vertaalde klassieken deze week drie nieuwe roman-edities van Nobelprijswinnaar Imre Kertész. (Onbepaald door het lot, 242 blz. euro 16,-; Het fiasco, 380 blz. euro 22,50; Kaddisj voor een niet geboren kind, 116 blz. euro 12,50, vertaald uit het Hongaars door Henry Kramer, Van Gennep).

Uitgeverij Van Gennep presenteert nieuwe uitgaven van de romans van Nobelprijswinnaar Imre Kertész. Onbepaald door het lot, Het fiasco en Kaddisj voor een niet geboren kind krijgen nu – met foto's van collega en landgenoot Péter Nádas op de omslag – een uiterlijk dat niet alleen de inhoud waardig is, maar tegelijk duidelijk maakt dat de uitgever het romanwerk van de auteur als een trilogie beschouwt.

Hoewel alledrie de boeken op zichzelf staan, vertonen ze onderling inderdaad een sterke samenhang – alleen al door het feit dat Kertész zich weinig van `verbeelding' bedient. Hijzelf, zijn eigen leven en gedachtegang zijn het onderwerp van zijn hele oeuvre. Niet dat een te groot ego hem in de weg zou staan bij andere onderwerpen – Kertész is juist zeer bescheiden; dat moge blijken uit het feit dat het uitblijven, een kwart eeuw lang, van elke vorm van waardering, hem niet heeft kunnen deren. Maar Kertész streeft ernaar de essentie van het bestaan te doorgronden, waarbij hij, als een arts die levensbedreigende experimenten uitvoert, zichzelf gebruikt als instrument voor het observeren van de wereld om zich heen – een wereld die hem in elke nieuwe situatie weer vijandig blijkt.

Aan Onbepaald door het lot, zijn eerste roman, heeft Kertész dertien jaar gewerkt, nadat de gedachte aan het schrijven ervan eerst vijftien jaar had gerijpt. Het is een pijnlijk nuchtere beschrijving van de deportatie, de kampervaringen en de terugkeer uit `het buitenland' van de veertienjarige joodse jongen Gyuri Köves, de ik-verteller, een alter ego van Kertész. Toch is de roman niet uniek door het onderwerp, maar door de taal. Een atonale taal die Kertész creëert door de wereld van zijn hoofdpersoon en die van de lezer hermetisch van elkaar te scheiden. De kennis die de lezer over de geschiedenis bezit, maakt de simpele, van elke emotie ontdane constateringen van de jongen stuitend, en doet haast iedere zin uitglijden naar een diepe afgrond.

Het perspectief van Gyuri Köves, die waanzin als logica opvat, zijn naïeve blik, zijn nieuwsgierigheid, zijn optimisme terwijl hij geen verwachtingen voor de toekomst heeft, leveren zinnen op die de lezer telkens weer doen huiveren. `Ik was niet in staat ze [de soldaten in het kamp] als normale wezens te beschouwen en begon er steeds meer aan te twijfelen of deze mannen, die uiterlijk toch zoveel op ons leken, wel van dezelfde menselijke stof waren gemaakt als wij. Opeens bedacht ik echter dat ik deze zaak verkeerd zag: niet zij maar wij waren abnormale wezens.'

Kertész was er in Onbepaald door het lot niet op uit te behagen, sympathie of medelijden te oogsten. Het schrijven ervan was levensbehoefte. Net als het doorgaan met het observeren van zijn eigen leven. Het fiasco is duidelijk het vervolg op zijn eerste roman. `De oude' (Köves is weer de naam van de hoofdpersoon, nu in de derde persoon) is een schrijver die bij gebrek aan succes de kost verdient met het vertalen van Duitse literatuur en het schrijven van kluchtige toneelstukken. Zijn enige serieuze roman (Onbepaald door het lot, zal de lezer herkennen) is door de uitgever afgewezen. Om inspiratie op te doen staat hij voor de archiefkast waar zijn aantekeningen, schetsen, dagboekfragmenten en correspondentie zijn opgeborgen. `De oude' leest en reageert op wat hij had opgetekend over gebeurtenissen in een nog verder verleden. Eindelijk haalt hij zijn schrijfmachine tevoorschijn om precies in het midden van het vel papier met grote letters Het fiasco te typen. Deze roman in een roman vertelt hetzelfde verhaal opnieuw, over het communisme, de tijd van de harde dictatuur, waar alleen uitgekookte jongens zich van een goede plaats in de maatschappij kunnen verzekeren. De licht-ironische toon blijft een handelsmerk van Kertész, die zich hier als het ware tussen twee spiegels plaatst. Hij ziet zichzelf niet één, maar ontelbare keren weerspiegeld, dichtbij en oneindig veraf – de afstand die nauwkeurige observaties vereisen.

Kaddisj voor een niet geboren kind heeft de vorm van een lange monoloog, opgeroepen door de onschuldige vraag of de verteller (hier heeft Kertész zich losgemaakt van zijn alter ego Köves) kinderen heeft, of beter: het resolute antwoord `nee'. Het is een relaas van een huwelijk waarin `ik', de man, een overlevende van Auschwitz, het niet kan opbrengen een kind op de wereld te zetten. Wederom gebruikt de `ik'-schrijver zijn aantekenschriften om het verleden precies te kunnen oproepen, weer refereert hij aan eigen werk (onder meer aan Onbepaald door het lot), en weer is dat werk een puur existentiële aangelegenheid. Krachtiger dan in zijn eerdere romans zet Kertész zich in Kaddisj af tegen de mogelijkheid van een toekomst en geluk – want overleven is slechts voortleven, vegeteren.

Al enige tijd geleden heeft Kertész aangekondigd met Liquidatie, de roman die speelt in Hongarije in de jaren na de omwenteling en waaraan hij dezer dagen de laatste hand legt, het onderwerp `Auschwitz' voor eens en altijd af te sluiten. Wat dat precies inhoudt, komt de lezer naar verwachting dit jaar nog te weten.