Taal verzacht de wonden

Tegenwoordig wil niemand meer sneuvelen voor het vaderland. Daarom moet het voeren van oorlogen op een anderemanier worden verkocht dan vroeger.

Het probleem van de grote woorden is niet dat ze hun betekenis hebben verloren, maar dat we hun ware betekenis juist al te goed kennen. Wat sleets is geworden zijn niet die woorden, maar ons geloof.

In taal herkennen wij de ijverige knecht van de marketingdeskundigen die weten dat een beeld alleen, hoe krachtig ook, nooit genoeg is. Er zijn slogans nodig, argumenten, verklaringen, het beeld moet geduid worden, kortom het wapen van de retoriek.

,,Op de punt van onze bajonetten zullen we de arbeidzame bevolkingsgroepen vrede en geluk brengen.'' Aldus generaal Toechatsjevski, op het moment dat het Rode Leger in 1920 Polen binnenvalt. Vergeet even de arbeidzame bevolkingsgroepen, maar op de punten van bajonetten wordt nog steeds veel vrede en geluk rondgebracht. De retoriek lijkt zich in een kleine honderd jaar nauwelijks ontwikkeld te hebben, het geluk staat nog altijd centraal, en aangezien het kennelijk op de punt van bajonetten te vinden is zijn er vijanden van het geluk nodig die de bajonetten legitimeren.

Hoewel dat allerminst vanzelfsprekend is, heerst er tegenwoordig consensus dat oorlog een orgie van destructie is, zelfs onder degenen die oorlog voeren. Een noodzakelijk kwaad is het beste wat je erover kunt horen zeggen.

In 1914 ging er in Berlijn met veel enthousiasme een menigte de straat op om het begin van de vijandelijkheden te vieren. De mate van enthousiasme en de grootte van de menigte mag overdreven zijn, vast staat dat er toen nog behoorlijk wat mensen waren die meenden dat oorlog een heroïsche zaak was die andere mensen, vooral mannen, de gelegenheid bood boven zichzelf uit te groeien en iets te doen wat hun leven zin gaf. Sneuvelen voor het vaderland bijvoorbeeld. De rest van je leven in een rolstoel zitten is al stukken minder heroïsch.

Dat de dode soldaten altijd meer geeerd worden dan de zwaargewonden moet ermee te maken hebben dat een soldaat onder de grond nauwelijks meer herinnert aan de ware aard van de slachtpartijen. Van een mismaakte of gek geworden soldaat kan dat niet worden gezegd.

Toen in 1918 tijdens overwinningsparades in Frankrijk de kreupel geworden soldaten voorop liepen – het waren er behoorlijk wat – nam het enthousiasme voor een volgende oorlog aanzienlijk af.

Oorlog omwille van de oorlog is een anachronisme geworden. Wij voeren tegenwoordig oorlog om heel andere redenen. Omwille van het goede. Om vrede en geluk te exporteren tot in de verste uithoeken van onze prachtige planeet. Het bestaansrecht van oorlog is het paradijs dat afgedwongen dient te worden, niet morgen, maar vandaag.

Macht is een doel op zichzelf. Veel discussie daarover lijkt me zinloos. Zo hij al ooit een middel is geweest verwordt de macht tot doel, zodra hij zich gerealiseerd heeft, dus macht is geworden. Wie macht heeft wil meer, wie geen macht heeft wil een beetje, en dan zijn er nog de ongelukkigen die slechts verlangen naar wat zekerheid en een kruimeltje geluk. Wij dus. De mondige burgers, de hopelozen, de afnemers, de klanten, hoe je ze ook wil noemen. De tijd dat mensen wilden behoren tot een arbeidzame bevolkingsgroep ligt ver achter ons.

De meeste oorlogen, waarschijnlijk alle, worden in werkelijkheid gevoerd om macht te bestendigen en uit te breiden, daartoe is oorlog natuurlijk een vehikel bij uitstek. Maar dat is niet hoe ze worden afgebeeld, en het gaat mij even niet om de werkelijkheid, slechts om de afbeelding ervan.

Sinds de slachting van de Eerste Wereldoorlog, en de Tweede die onlosmakelijk met de Eerste verbonden is, kunnen oorlogen niet meer worden verkocht als een fris en vrolijk evenement dat een nieuwe generatie de kans biedt te bewijzen wat ze waard zijn en het leven in al zijn pracht en praal te leren kennen. Het collectieve geheugen heeft het verleden niet genoeg van zich af kunnen werpen, zodat wij nog niet terug kunnen keren naar die maagdelijke staat van voor 1914. Wij hebben andere argumenten nodig.

De technologie is voortgeschreden, sinds 1945 is het atoomwapen niet meer gebruikt, de wapens zijn preciezer en duurder en de loopgraaf is ook uit de mode, maar wat werkelijk veranderd is, is de verkoop van de oorlog.

Oorlog zoals wij die kennen is onlosmakelijk verbonden met het goede, het humanitaire, het nobele, het geluk. Je zou de slachtpartij zelfs kunnen definiëren als uitbreiding van de totale hoeveelheid menselijk geluk met alternatieve middelen.

Eén aspect hebben we nog nodig om onze retoriek te vervolmaken: het slachtoffer.

Onze onvoorwaardelijke, absolute en daarom bijna religieuze identificatie met het slachtoffer lijkt evident, maar de status van het slachtoffer is wel eens lager geweest.

Gerard Reve kon een paar decennia geleden nog beweren dat arme mensen slecht zijn, anders zouden ze niet arm zijn. En er zijn serieuze filosofen geweest die zich laatdunkend over het slachtoffer hebben uitgelaten. Aan ons is hun werk, in ieder geval dat aspect, niet besteed geweest, wij hebben ons op het slachtoffer geworpen als een baby op zijn teddybeer. In het weerloze slachtoffer herkenden wij eindelijk onszelf.

Tijdens de voorbereiding van een oorlog kunnen wij vier aspecten onderscheiden die noodzakelijk zijn om de oorlog te verkopen.

Allereerst is daar het geluk waar iedereen recht op heeft. Maar wat nog niet iedereen heeft. Merk hoe het geluk wordt afgebeeld als een bezit, Niet als iets vluchtigs waar je nauwelijks je vinger op kunt leggen, maar als een steen die je kunt verdedigen tegen barbaren en dieven.

Dan hebben we de vijanden van het geluk, die in een ver land kunnen zitten, maar ook bij ons in de straat kunnen wonen.

In de liberale democratie heeft al menig kandidaat in verkiezingstijd succes geoogst met het aanwijzen en isoleren van de vijanden van het geluk die zich kennelijk onder ons bevonden.

En het moet gezegd, die boodschap is ook fantastisch, en eenvoudig, en ze lijkt altijd waar.

Ik zou het ook geloven als men mij zou zeggen dat de vijanden van het geluk onder ons zijn. Ik kom ze dagelijks tegen, soms heb ik het idee dat ze bij mij in huis wonen.

De vijanden van het geluk zijn dus zowel zeer nuttig in verkiezingstijd als tijdens de voorbereiding van een veldslag.

Het derde aspect is de angst. Sinds de mens weet dat hij op een dag zal sterven is hij bang. Diep in zijn hart weet hij dat al zijn verdedigingslinies tegen de dood futiel zijn, overbodig, op zijn best belachelijk. Gokken op angst is een zekere zaak.

Om de burger te mobiliseren tegen de vijand van het geluk is verspreiding van angst een absolute vereiste. En hier komen we bij het slachtofferschap.

Hij, de burger, de klant, moet geloven dat hij al een slachtoffer is. Dat hij verraden is, in de steek gelaten, als niet door God, dan toch wel door de staat, maar vooral door de vijanden van zijn geluk, hoe we die ook definiëren. Denk bijvoorbeeld aan de dolkstootlegende die in Duitsland aan het einde van de Eerste Wereldoorlog de ronde deed.

Of hij moet tot het inzicht komen dat hij binnen afzienbare tijd het slachtoffer zal worden als de vijanden van het geluk niet snel zullen worden vermorzeld, of ze nu bij hem in de straat wonen, of in een ver land.

En na de trauma's van de twee wereldoorlogen hebben wij nog een humanitaire missie erbij gekregen. Niet alleen moeten wij ons eigen geluk verdedigen, wij moeten het exporteren naar slachtoffers elders, die wij niet bij naam kennen maar met wie wij ons identificeren, en die wij op de punten van onze bajonetten iets van ons eigen geluk komen brengen. In naam van de menselijkheid, geheel onbaatzuchtig, rukken wij op, zoals generaal Toechatsjevski oprukte in naam van het arbeidersparadijs, en de ridders van de kruistochten voortploegden richting Jeruzalem in naam van Jezus en de lieve Heer. En ook zij al deden dat geheel onbaatzuchtig. Zij wilden slechts zieltjes redden.

Er is discussie over mogelijk maar wat mij betreft hebben de slachtpartijen van de twee wereldoorlogen geleid tot de dood van het humanistisch ideaal. Dat ideaal is zo mogelijk nog doder dan god. We doen alsof dat niet zo is uit angst onze laatste resten menselijkheid te verliezen.

Dat deze dood niet noodzakelijkerwijs hoeft te leiden tot passiviteit of monsterlijkheid is iets voor een andere keer.

Hoewel de herhaalde en sleets geworden kreet `dit nooit meer' positieve effecten heeft gehad, kan ons humanitair utopisme, onze export van het geluk, moeilijk tot die positieve effecten worden gerekend.

Nog helemaal afgezien van de macht omwille van de macht die zich altijd weer achter dat utopisme verbergt, is de vraag gerechtvaardigd of solidariteit die vanaf twee kilometer hoogte bij wijze van bom op je huis valt nou echt het woord solidariteit verdient.

Begrijp me goed, ik ben niet tegen oorlog an sich, ik wil, zoals uit het bovenstaande blijkt, de mensheid niet van zijn ziektes genezen.

Het is lastig om van een oorlog te beweren dat hij noodzakelijk is, geschiedenis is geen natuurwet, maar het lijkt me een uitgemaakte zaak dat een slachtpartij zo iedere tien of vijftien jaar een noodzakelijk gevolg is van de bestaande orde. Wie die orde accepteert, en dat doe ik, accepteert de slachting. Op beperkte schaal natuurlijk, het moet niet te gek worden.

Ik kan mij vinden in de woorden van Tzvetan Todorov die in Herinnering aan het kwaad, bekoring van het goede, schrijft: ,,Voor de keus tussen twee vormen van geweld gesteld, kunnen we de voorkeur geven aan het geweld dat ervoor uitkomt boven het geweld dat zich verbergt achter een masker van deugdzaamheid.''

Om die reden gaat het mij slechts om de verkoop van de oorlog, om het masker van deugdzaamheid aan een nadere analyse te onderwerpen. Een goede marketingdeskundige interesseert zich namelijk niet voor het product, of het nu shampoo is, een lijsttrekker, een veldslag, of sigaretten, het gaat hem om die verrukkelijke, in onze wereld existentiële daad: het aan de man brengen.

Wij zouden, als we eerlijk zijn, ons moeten afvragen hoeveel doden we acceptabel vinden per vierkante kilometer democratie. Vijftig? Honderd? Vijfhonderd? Duizend?

Ik zou zeggen, tweehonderd. Maar u bent vrij uw eigen getallen in te vullen. Zoals minister van Defensie Rumsfeld zei na aanleiding van het plunderen van musea in Bagdad: ,,Een vrij volk is vrij om fouten te maken en misdaden te begaan.''

Als voorbeeld van een rechtvaardige oorlog, de laatste die wij ons kennelijk kunnen herinneren, wordt steeds weer de Tweede Wereldoorlog genoemd. Men vergeet gemakkelijk dat bijvoorbeeld Amerika slechts aarzelend, pas in 1941 na Pearl Harbor aan deze oorlog begon. En dat, zoals Omer Bartov in zijn boek Mirrors of destruction heeft betoogd, Hitlers genocide niet de reden was dat de Geallieerden hem bestreden. Had hij zich qua genocide beperkt tot Duitsland dan was hem weinig in de weg gelegd, en als hij in 1944 had voorgesteld de genocide te stoppen in ruil voor staking van de vijandelijkheden, hadden de Geallieerden dat waarschijnlijk niet geaccepteerd.

Wie nu denkt dat ik van mening ben dat die oorlog om die reden niet gevoerd had moeten worden is een kwaadaardige gek. Maar wie de maskers van deugdzaamheid wil afscheuren, moet eerst de tanden zetten in zijn eigen mythes.

Daarom zal ik de retoriek van onze inmiddels verslagen vijand niet behandelen. Todorov wijst in zijn al eerder genoemde boek op een uitspraak van de Franse schrijver Romain Gary die schreef dat ,,wanneer een oorlog is gewonnen, de overwonnenen, niet de overwinnaars bevrijd (zijn).'' Ook dat is een reden om ons te concentreren op de overwinnaars.

Saddams gifgas en martelkamers werden voor het vrije westen pas een probleem toen hij de adviezen van de CIA niet meer opvolgde.

Zolang de mens het kwaad alleen in anderen kan herkennen op een voor hem gunstig tijdstip, is het humanistisch ideaal niet alleen dood, maar ook onwenselijk, want gevaarlijk.

De liberale democratie is nihilistisch van aard. Zij streeft het geluk niet na voor haar burgers, maar geeft de burgers het recht dat zelf na te streven, of niet, en dat is nou net een van haar aardigste eigenschappen.

Zij belooft geen paradijs op aarde noch daarna.

Zij heeft er vrede mee dat veel van haar burgers het geluk vinden in de combinatie van shoppen, zon, zee en klagen over collega's.

Het paradijs van de liberale democratie is een camping waar iedereen in zijn eigen stacaravan het geluk hoopt te vinden en men elkaar af en toe tegenkomt bij het openbaar toilet. Een tikkeltje saai misschien, lang niet zo enerverend als de veldslag van generaal Toechatsjevski, maar toch al met al niet slecht.

Shoppen is het grootst mogelijke woord van de liberale democratie, want bij gebrek aan een overkoepelend ideaal dat het geluk voor de uitverkorenen belooft, zijn er alleen kleine, kortstondige prikkels van geluk mogelijk, prikkels die uiteraard te koop zijn. Hier komen de marketingdeskundigen in het spel, en je zou kunnen zeggen, ook de oorlog.

Problemen beginnen als de liberale democratie zich verheft tot een absolute waarde, een utopie wordt, ja zelfs een religie, die verspreid moet worden onder de ongelukkigen zoals de kruisridders ooit het woord van Jezus verspreidden.

Niet langer is zij een campingplaats waar het bij gebrek aan een goed hotel wel aardig toeven is, ondanks de openbare toiletten, zij is een halfgod geworden, een hele God zelfs. Men moet ervoor willen sterven.

Zo wordt de verspreiding van democratie op dezelfde manier verkocht als hairconditioner voor droge haren. Het product is immers onbelangrijk, het mag zelfs een absurd product zijn, de definiërende daad is de transactie. Iemand koopt, iemand verkoopt.

Hoewel mij het maken van proselieten niet voorkomt als een typische eigenschap van de democratie, hebben de belangrijkste democratieën zich opgeworpen tot mensenredders nummer 1. Een zondvloed dreigt, maar er zijn arken.

Anders dan de religie die een strikt medicijn voorschrijft voor het geluk, al dan niet op aarde, anders dan de totalitaire staat die het geluk van haar burgers geheel en al in eigen handen neemt, is de democratie bij uitstek overtuigd van haar eigen feilbaarheid en laat het geluk van haar burgers of het gebrek daaraan, over aan het individu. Maar meer en meer zie je dat de democratie haar burgers niet meer vertrouwt als het om geluk gaat.

Weten de mensen wel echt wat goed voor ze is? Misschien niet, ze moeten met zachte hand worden gemanipuleerd, en als dat niet lukt, met iets hardere hand.

De hedendaagse liberale democratie kent twee interessante fenomenen die ook taalkundige fenomenen zijn.

Aan de ene kant heb je de `collateral damage' aan de andere kant staan de `celebs'. Celeb komt van celebrity, beroemdheid, de celebs dat zijn de beroemdheden, onze afgoden.

En beide begrippen zijn verbonden met de hoeksteen van de liberale democratie, het shoppen. Denk aan `winkelen', en hoor hoe traag en saai dat klinkt vergeleken met dat andere woord en besef dat stijl een onmisbaar instrument is van de marketingdeskundige.

`Collateral damage', vanuit ons oogpunt zijn dat mensen die gestorven zijn voor een halve vierkante kilometer democratie.

Taal verzacht de wonden.

Wij, die de taal gebruiken, hebben de verantwoordelijkheid de wonden te verzachten. Al het andere is vulgair.

De `celeb' is het overkoepelend ideaal van de hedendaagse democratie. Beroemdheid dekt de lading niet, een celeb is meer, want als gezegd, een ideaal dat het individuele overstijgt en tegelijkertijd mensen de illusie geeft dat ze zich met eigen kracht hebben kunnen verheffen uit de duistere put van de anonimiteit. Zelfs in een democratie met theocratische instincten, ook Jezus was een celeb.

Elk product wordt verkocht door erop te wijzen dat de koper zich een celeb kan wanen, of kan doen zoals de celebs doen als hij maar bijtijds tot aanschaf overgaat.

De gesneuvelde soldaten zijn dode celebs. Men weet dat de retoriek van het vaderland en de vrijheid zijn beste tijd heeft gehad. Men sterft tegenwoordig om die status te bereiken, de hemel van de liberale democratie: celeb.

Het is logisch dat op de campingplaats van de liberale democratie een fascinatie bestaat voor geweld. Men weet in de stacaravan dat het er is, de slachtparijen van de vorige eeuw hebben zich in het collectieve geheugen genesteld, en zijn daar (nog) niet uit verdwenen. Men heeft er een vermoeden van waartoe de mens in staat is, maar men ziet het maar nauwelijks gebeuren. Te weinig in ieder geval.

Men wacht erop, want men is bang, maar er gebeurt maar niets. Aanslagen worden aangekondigd, aanslagen worden verwacht, maatregelen worden getroffen, maar ze vinden maar niet plaats.

Ook aan die behoefte voldoet de marketingdeskundige die de oorlog onder zijn hoede heeft genomen. Hij belooft ons dat wij een kijkje kunnen nemen in onze eigen nachtmerries zonder dat ze ons leven al te veel in de war zullen schoppen.

Het is alsof de stoom uit de ketel wordt gelaten en de keukenprinses zegt, dankjewel.

De uitspraak van Brecht dat de buik die het monster voortbracht nog altijd vruchtbaar is, is zo vaak herhaald, dat we soms niet kunnen wachten en de buik openscheuren om nog eens goed naar het monster te kijken waarvoor we zo bang zijn.

Generaal Toechatsjevski's woorden hebben niets aan actualiteit verloren, we hebben ze vrijwel dagelijks kunnen horen. Ik hoef ze hier niet te herhalen.

Wij exporteren het geluk met ,,respect for its citizens, for their great civilization and for the religious faiths they practice.''

Zo ziet de hedendaagse variant van het arbeidersparadijs eruit, en het betekent in goede vertaling: Jullie mogen celeb Allah houden, maar krijgen Head & Shoulders er vrijwel gratis bij.

De liberale democratie verkoopt zichzelf en exporteert zichzelf als ark in tijden van zondvloed.

Ze vergeet dat er van iedere diersoort maar twee gered konden worden.

Shoppen is het grootst mogelijke woord van de liberale democratie

Gokken op angst is een zekere zaak