Schroeventellers en archievenduikers

Twintigste-eeuwse bunkers en kazematten horen tot de geschiedenis van Nederland, net als middeleeuwse kastelen. Maar ze worden niet bewaard, noch geïnventariseerd.

Wat is er gebeurd met de kazemat in de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal bij Weesp? Dick van Zomeren weet het niet. Hij is van '39, geboren en getogen in Weesp en lid van de plaatselijke Historische Kring. Pas nog noemde iemand hem de `lokale Loe de Jong', zegt hij lachend. Boven in zijn werkkamer heeft hij bakjes staan met jaartallen en onderwerpen. Ze lopen van 1934, toen de kazemat, een ondergronds bomvrij gewelf, in de brug werd gebouwd, tot 1948, de berechting van de foute burgemeester van Weesp. Steeds als hij iets leest of tegenkomt over een van die jaren stopt hij het in een van de bakjes. Na verloop van tijd, als hij genoeg informatie heeft, maakt hij een boekje, zoals dat over het joodse leven in Weesp, geeft hij een lezing voor de historische kring of schrijft een artikel voor het WeesperNieuws, bijvoorbeeld over de resten van de Duitse radar in de polder tussen de A1 en het spoor.

Waar die fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog vandaan komt? De hoofdredacteur van een vakblad voor de schoonmaakbranche denkt even na.

Op 29 maart 1943 om kwart over tien 's avonds had hij zijn eerste bewuste oorlogservaring. Bij hen achter, tussen de Talmastraat en de Singel, viel een Engelse bom op een schuurtje. Alle ruiten eruit. Hij ziet nog hoe de gordijnen daarna naar binnen bolden en voelt nog de angst van zijn moeder, bij wie hij op schoot zat. O ja, er is nog iets. Hij pakt een kopie van een visumaanvraag van zijn vader voor een reis naar Duitsland. Zijn vader was cacaobrander bij Van Houten en moest daarvoor veel naar de fabriek in Krefeld. ,,Zie je op welke dag hij wilde vertrekken? Rond 5 mei 1940.'' Grijnzend: ,,Die reis ging niet door, want 80.000 Duitsers stonden klaar om deze kant op te komen.''

Na de oorlog heeft hij vaak in de kazemat bij de brug gespeeld. Hij kan de betonnen fortificatie nog zo natekenen. In de aarde verzonken zat een houten zitbank met uitzicht over de Gooilandse weg. Onder de bank zat het schietgat, waardoor hij als jongen naar binnen klom. Binnen waren twee kamers, een schacht recht omhoog met klimijzers en een lange gang, die aan de andere kant van het talud uitkwam.

De brug is in 1934 in het kader van de algemene werkverschaffing gebouwd, weet hij, samen met drie andere, uiterlijk identieke bruggen bij Loenen, Breukelen en Utrecht. Volgens een bepaling moest toen bij dergelijke openbare werken rekening worden gehouden met defensieve voorzieningen. Vandaar de kazemat. Maar wat er mee gebeurd is? Van Zomeren heeft geen idee.

Als hij in Groot-Brittannië had gewoond, had hij nu de database van het Defence of Britain Project kunnen raadplegen. Onder auspiciën van de Council of British Archaeology hebben de afgelopen acht jaar zeshonderd vrijwilligers in Engeland, Schotland, Wales en Noord-Ierland bijna twintigduizend verdedigingswerken uit 1940 en 1941 in kaart gebracht – ook die intussen zijn verdwenen. English Heritage, de Engelse instantie voor monumentenzorg, heeft al eerder elf rapporten laten verschijnen over wat er nog over is aan sporen van zaken als luchtafweergeschut, militaire vliegvelden en legerkampen.

Ida Kemperman, gemeentearchivaris van Weesp, weet dat aan de Weesperkant van het Amsterdam-Rijnkanaal stellingen zijn geweest. Maar de kazemat? Ze kan er niks over zeggen. ,,Ik geef u het telefoonnummer van Piet Grotendorst, een Weesper van in de tachtig.''

Eenpersoonsbunkertjes

Kort na de Tweede Wereldoorlog hebben in Nederland ingenieurs van de landmacht ook een inventarisatie gemaakt. Ze telden ongeveer 15.000 werken, de meeste Duits, variërend van bunkers van de Atlantikwall, met beton overdekte havens en tankwallen tot eenpersoonsbunkertjes, vliegtuighangars en V1-lanceerinstallaties. Het was vooral kijken naar wat nog bruikbaar was. De bunker van Seys-Inquart bij Clingendael in Den Haag, die er met zijn kenmerkende betonnen puntdak op het eerste gezicht als een groot woonhuis uitziet, was bijvoorbeeld nog goed te gebruiken door de Nederlandse defensiestaf. De rest herinnerde te veel aan een traumatische tijd en kon worden opgeruimd, de overheid stelde een sloop- en premieregeling in voor bunkers en andere militaria die in de weg heetten te staan. Zo verdwenen in de loop der jaren de bunkers in de duinen rond Castricum, moest in 1960 het Kernwerk op het eiland De Beer in de Nieuwe Waterweg wijken voor de aanleg van de Maasvlakte en ging letterlijk het zand over de meeste bunkers van de Festung Hoek van Holland. Vliegtuigen uit de oorlogsjaren naar boven halen was het werk van de opruimingsdienst van de Luchtmacht en niet van archeologen. En ook de Nederlandse verdedigingswerken kwamen niet ongeschonden uit de naoorlogse periode. Neem alleen de omgeving van Weesp. Vaste treinreizigers op het traject Amsterdam-Amersfoort kennen ter hoogte van Fort Uitermeer groepsschuilplaats U44 met de opvallende graffiti: twee witte sjabloonachtige personen op een zwart vlak. Verder sieren vele piramidevormige betonnen anti-tankblokken nu de opritten van boerderijen en doet kazemat H24 aan de Lage Klompweg dienst als dierenhok.

Het Bunkerarchief van Defensie, de op papier gestelde inventarisatie, dreigde midden jaren tachtig ook verloren te gaan. Het stond letterlijk in het water in een opslagplaats in Amsterdam, het besluit om alles maar weg te gooien was al genomen, toen C.N.J. Neisingh, generaal van de Koninklijke Marechaussee, er schande van sprak en het archief wist te redden. ,,We hebben daarna een werkgroep opgericht die alles heeft geconserveerd en beschreven. De papieren liggen nu in het Centraal Archief van Defensie en gaan later naar het Nationaal Archief.''

Bankje

Piet Grotendorst is te oud om ooit in de kazemat bij de brug gespeeld te hebben, hij heeft wel op het bankje gezeten. Zou het in de jaren zeventig zijn geweest dat ze de zaak daar met de grond gelijk hebben gemaakt? Hij durft het niet te zeggen. Hij weet nog wel dat na de mobilisatie in 1939 rond Weesp vele betonnen schuilplaatsen zijn aangelegd. De Firma Blankevoort reed in die dagen af en aan met zand. Zijn broer lag toen bij de Grebbeberg. Hij deed daar niets anders dan stellingen bouwen. Voor oefeningen was geen tijd.

Neisingh, geboren op Dolle Dinsdag, is voorzitter van de Werkgroep Verdedigingswerken in Nederland vanaf 1915 van de Stichting Menno van Coehoorn, een gezelschap met ongeveer duizend begunstigers dat zich inzet voor behoud en studie van oude vestingwerken. Hij is jaloers op het Defence of Britain Project. Maar niet alleen de Britten houden zich serieus bezig met hun recente oorlogsverleden. Ook de Denen, die toch net als de Nederlanders bezet zijn geweest, lopen voor. Bij hen bestaat dat thema van goed en fout minder dan bij ons, zegt Neisingh. Vandaar dat zij al minstens tien jaar geleden hun deel van de Atlantikwall hebben geïnventariseerd en beschermd, compleet met brochures en toeristische routes.

In Nederland ligt het initiatief bij amateurs. Vooral mannen, die vaak net als Dick van Zomeren in hun jeugd in verlaten bunkers hebben gespeeld, avonturen hebben beleefd en stiekem hun eerste sigaretjes gerookt. Ze zijn te verdelen in de zogenaamde schroeventellers die alles tot in detail weten en op zoek gaan naar tastbare trofeeën, en mensen als Neisingh, die vooral in de archieven duiken en wetenschappelijk onderzoek doen. Vorig jaar verscheen van twee van hen, onder wie een adjunct-directeur van een middelbare school te Damwoude, Kazematten in het Interbellum.

Her en der bestaan groepjes van amateurs die vinden dat bunkers en kazematten net als middeleeuwse kastelen deel zijn van de geschiedenis van Nederland en behouden moeten blijven. Bij Hoek van Holland hebben ze een bunker uitgegraven en er een museumpje van gemaakt, op de Afsluitdijk houdt een aantal vrijwilligers de grote Nederlandse verdedigingswerken van Kornwerderzand, die de Duitse aanval hebben weten te weerstaan, in stand en weer een andere groep bevlogenen zorgt ervoor dat in het weekend geïnteresseerden de als boerderij gecamoufleerde Duitse bunkers van het voormalige vliegveld Deelen kunnen bezoeken. Zo is er wel veel kennis en zorg aanwezig, maar is die ook zeer versnipperd.

De Stichting Militair Erfgoed probeert sinds een jaar of vijf een soort landelijke koepel te zijn. Voorzitter René Roede, geboortejaar 1959, raakte als jongetje uit Schiedam gefascineerd door de bunkers bij Hoek van Holland. Met ongeveer driehonderd leden zet zijn stichting zich actief in voor behoud en beheer van het militaire erfgoed. Ze zijn bijvoorbeeld beheerder geworden van de Hilversumse bunker van Blaskowitz, de Duitse opperbevelhebber in Nederland. ,,We maken er geen Denkmal van, maar zoals de Duitsers zo mooi zeggen, een Mahnmal.''

Dirk de Gooyer weet niks van een kazemat. Hij kwam nooit aan die kant van Weesp. Zijn ouders hadden een boerderij in de Bloemendalerpolder. Hij was 22 jaar toen de Duitsers in 1943 een radarinstallatie in de polder bouwden en hen sommeerden hun boerderij en land te verlaten. Nu resten nog de betonnen vijfhoekige sokkels van de twee paraboolantennes, drie funderingen van barakken en vier garageachtige gebouwtjes voor noodaggregaten. Grote stukken land zijn door projectontwikkelaars gekocht. Het naburige Muiden wil er woningen bouwen. De koeien grazen rustig door.

Hét voorbeeld voor de amateurs is Rudi Rolf, kunsthistoricus en voormalig hoogleraar aan de Open Universiteit. Hij is de eerste die zich serieus met het onderwerp heeft beziggehouden. Zijn Duitse bunkers in Nederland, een boekje op zakformaat, geschreven op een Triumph SE 1000 CD en in 1979 verschenen in een oplage van 250, is een collector's item.

Geboren in Amsterdam in 1947, herinnert hij zich de bunkers bij Zandvoort en Bloemendaal. Afstuderen op een Antwerpse glasschilder was geen belemmering om ook gefascineerd te raken door `oorlogstuig'. ,,Deze zogenaamd puur functionele gebouwen hebben in mijn ogen een meerwaarde, ik vind ze sexy en daarom was ik in de ogen van velen een neofascist.'' In 1985 promoveerde hij op Het Duitse Fortificatie-ontwerp 1935-1945. Hoewel de bouw van bunkers een industrieel proces was – ,,Het was net een supermarkt, een commandant bestelde in Berlijn een nummer en kreeg dan zijn bunker'' – bestaat `het' Duitse bunkerontwerp niet. Landmacht, marine en luchtmacht hadden ieder hun eigen ontwerpen. De landmacht deed er alles aan om zijn bunkers zo min mogelijk in het terrein te laten opvallen, terwijl de marine zijn macht wilde laten zien en zijn bunkers juist goed zichtbaar en op markante plekken liet bouwen. Rolf ziet in de ontwerpen ook allerlei Vitruviaanse principes: cogitatio (plan, ontwerp), inventio (vindingrijkheid) en ordinatio (de afstemming van vormen, exterieur en interieur). Verder hebben de ontwerpen door hun ritme, afwisseling van harde en zachte vormen en symmetrie een, waarschijnlijk niet bewust nagestreefde, schoonheid.

Ruim vijfentwintig jaar nadat Rolf wegens zijn belangstelling voor neofascist is uitgemaakt, begint er toch iets te veranderen. Het Instituut voor Militaire Geschiedenis en het NIOD vinden het goed als de overblijfselen uit de Tweede Wereldoorlog geïnventariseerd en bestudeerd zouden worden. Alleen is dat niet hun taak, zeggen ze, maar die van de Rijksdienst Monumentenzorg (RDMZ).

De dienst in Zeist heeft zich in de jaren negentig beziggehouden met inventarisatie en selectie van monumenten uit de periode 1850-1940. In dat kader is bijvoorbeeld de Peel-Raam Stelling tot monument verklaard. Maar voor de overblijfselen uit de bezettingstijd ontbreekt nog steeds het grote landelijke overzicht. ,,En dat is wel nodig'', zegt Neisingh, die indachtig Clausewitz' gezegde `als je alles verdedigt, verdedig je niets' niet alles wil behouden. Maar dan moeten er wel criteria zijn waaraan getoetst kan worden.

Die komen er als het goed is eindelijk aan. Neisingh zit sinds 1996 met vertegenwoordigers van het rijk (RDMZ) en de kustprovincies en -gemeenten in de Atlantikwallgroep. De groep komt binnenkort met aanbevelingen voor selectie en behoud van complexen uit de Tweede Wereldoorlog als nationaal dan wel provinciaal of gemeentelijk monument. Verder stelt de Raad voor Cultuur op verzoek van staatssecretaris Van Leeuwen een Commissie Omstreden Erfgoed samen. De staatssecretaris wil eind oktober een advies over wat te doen met de overblijfselen uit de Tweede Wereldoorlog.

Gemaal

Arie Griffioen (53) bedient het poldergemaal naast de brug, hij is de derde generatie. Naast de kazemat, weet hij, stond een zoutbak, voor als het glad was. Ongeveer vijfentwintig jaar geleden hebben ze de bovenkant gesloopt en de rest onder de grond gestopt. Drie jaar geleden stuitte een bouwbedrijf bij de bouw van een nieuwe afslag naar Weesp op de betonnen kamers. Hij heeft naast de uitvoerder bij het gat gestaan en hem verteld wat het was. Nu liggen de resten met een plaat erover weer onder de grond. Voer voor toekomstige archeologen.

Een dennenbosje naast de Oerdijk bij Lettele-Okkenbroek, in de omgeving van Deventer. De betonnen fundering en uitstekende staaldraden van een V1-lanceerinstallatie schemeren tussen afgevallen bladeren en takken. Vorig jaar zijn ze blootgelegd en onderzocht door de gemeentelijk archeoloog van Deventer, nu al weer doet de natuur haar verhullende werk. Dat geldt ook voor de reserve lanceerinstallatie bij Averlo. Als je de baan van de funderingen naar het zuidwesten volgt, kom je in Antwerpen, november 1944 tot maart 1945 als belangrijke aanvoerhaven van de geallieerden doelwit van vele honderden rond Deventer afgeschoten V1's. Hoe zei Dick van Zomeren dat ook al weer? ,,Het knispert op zo'n plek. De geschiedenis komt over je heen.''