Prijs van vergrijzing

DE GRIJZE GOLF werpt zijn politieke schaduwen vooruit. Met het oog op de vergrijzing van de bevolking wil het komende kabinet van CDA, VVD en D66 gaan sleutelen aan de regelingen voor vroegtijdige uittreding en pensionering. Die regelingen zijn duur en ze ontmoedigen de arbeidsparticipatie van oudere werknemers. Mogelijk wordt ook de leeftijd waarop burgers recht hebben op het staatspensioen van de AOW, sinds de invoering door minister Suurhof van het kabinet-Drees in 1956 vastgesteld op 65 jaar, stapsgewijs verhoogd.

Nederland staat niet alleen in de aanpak van de vergrijzing, de Europese Unie heeft zich hierover vorig jaar al uitgesproken. OveraI in Europa tekent zich de demografische onvermijdelijkheid af van een gemiddeld oudere bevolking en op termijn daling van de bevolkingsomvang. In Frankrijk, waar pogingen om het pensioenstelsel te hervormen steevast stranden op verzet van de vakbeweging, heeft de regering deze week besloten om geboortepremies en zorgbonussen uit te keren aan ouders die kinderen krijgen.

In Nederland willen de beoogde regeringspartijen het vraagstuk van de vergrijzing aan de andere kant aanpakken. In navolging van de aanbevelingen die de Centraal Economische Commissie, een groep van topambtenaren, heeft gedaan, moet de arbeidsparticipatie van oudere werknemers omhoog en moet de fiscale begunstiging van regelingen voor vroegtijdige pensionering op de helling. De wenselijkheid hiervan is onomstreden. Vanaf het 55ste jaar neemt de arbeidsparticipatie in Nederland drastisch af en tussen de 60 en 65 jaar werkt nog maar 15 procent. Met de komende verdubbeling van het aantal mensen in deze leeftijdscategorie nemen de kosten van regelingen voor het `Zwitserlevengevoel' navenant toe.

ZOVEEL IS ZEKER, er is sprake van een radicale omslag. Zo'n twintig jaar geleden dwong de politieke correctheid af dat oudere werknemers eerder stopten met werken ten gunste van de werkgelegenheid voor jongeren. Er kwamen dure regelingen voor VUT en pre-pensioen waarvan werknemers massaal gebruik maakten. Nu de na-oorlogse geboortegolvers, die hiervoor met inhoudingen op hun salaris betaalden, zelf richting eindstreep van hun werkend bestaan gaan, hebben deze regelingen hun langste tijd gehad. Tegelijk wakkert de discussie aan over herziening van het pensioenstelsel, zoals het pensioen op basis van het `middelloon' – een stelsel dat niet gebaseerd is op het laatst verdiende salaris maar op het gemiddeld verdiende salaris. In navolging van Noorwegen en Denemarken, waar de AOW met 67 jaar ingaat, kan de leeftijd worden verhoogd of kan er, zoals in Groot-Brittannië, met de beloning van vrijwillig langer werken worden geëxperimenteerd.

Dit zijn maatregelen die ingrijpen in de toekomstverwachtingen van mensen. Burgers maken hun financiële planning voor later op grond van hun eigen pensioenvoorzieningen, de AOW en hun particuliere besparingen. Mede hierop stemmen ze het moment af waarop ze besluiten te stoppen met werken en te genieten van een aantal vitale jaren. Aanpassing van financiële perspectieven vergt een lange tijd. Daarom moeten eventuele pensioeningrepen zorgvuldig worden afgewogen en moeten mensen een behoorlijke kans krijgen om zich in hun levensstijl en financiële planning hierop voor te bereiden. De prijs van de vergrijzing kan niet onverhoeds op de komende grijze generatie worden afgewenteld.