Onder het soepele Turkse juk

Het Ottomaanse rijk zakte van ellende in elkaar, wil het cliché, omdat het niet modern genoeg was. Nieuwe studies zoeken een verklaring die de Ottomanen meer ziet als onderdeel van de Europese geschiedenis.

Turkije heeft het opnieuw moeilijk met zijn politieke identiteit en richting. Regering en leger hebben lang geworsteld met een eventuele Turkse deelname aan de oorlog van NAVO-partner Amerika tegen Irak; en uitgerekend de nieuwe islamistische regering zoekt sterker aansluiting bij Europa dan de legertop, die doorgaans wordt afgeschilderd als pro-westers en seculier.

Tegen deze toenaderingspogingen klinkt uit Europa vaak de leuze dat Turkije behoort tot een andere cultuur of beschaving, en dat het daarom geen plaats heeft in de Europese Unie. Dat is geen nieuw geluid. Het viel ook al te horen over het Ottomaanse rijk waaruit Turkije is ontstaan, en dat in zijn hoogtijdagen het Anatolische plateau, het Arabische schiereiland en grote delen van Noord-Afrika, de Balkan, de Krim en de Kaukasus omvatte. De andere Europese staten stonden ambivalent tegenover het rijk: het werd voorgesteld als een absoluut tegendeel van Europa, maar tevens ingeschakeld als strategisch bondgenoot voor de politiek van individuele westerse staten.

Stagnatie

De Ottomaanse geschiedenis is een integraal deel van de Europese geschiedenis. Ze is geen monotoon verhaal van eeuwen van geweld, despotisme en stagnatie, maar verraadt integendeel een opmerkelijk tolerant, stabiel en flexibel bestel, dat een vormende invloed heeft gehad op de Balkan en het Midden-Oosten. In Europa wordt de val van Byzantium in 1453 gezien als een diepgaande politieke en culturele breuk; maar de nieuwe Ottomaanse heersers zagen zichzelf veeleer als erfgenamen van de Byzantijnse heersers. Colin Imbers The Ottoman Empire 1300-1675 beschrijft de opkomst en gloriedagen van hun rijk. Zijn boek biedt fascinerende inzichten, niet alleen voor de liefhebbers van Orhan Pamuks Ottomaanse historische romans. Na een lang (en wat plichtmatig) overzicht van de belangrijkste politieke ontwikkelingen tussen 1300 en 1650 behandelt Imber in detail de voornaamste Ottomaanse instituties, zoals het hof, de rechtspraak en het leger. Een klein bezwaar is dat Imber zijn aandacht vooral richt op de wetten en wensen van de centrale administratie, ten koste van de feiten daarbuiten, een vertekening die veel Ottomaanse geschiedschrijving al langere tijd parten heeft gespeeld. Een hoogtepunt is zijn hoofdstuk over de rechtspraak, waaruit blijkt dat veel verordeningen van de geopenbaarde islamitische wet of sjeriat eerder van symbolisch dan van praktisch belang waren. Bovendien hadden de Ottomanen voor gebieden waar de voorschriften onuitvoerbaar waren of zelfs geheel ontbraken, de beschikking over een seculiere wet of kanoen, die aanvankelijk vooral stoelde op het gewoonterecht, maar waarover de sultan steeds meer een eigen discretie kreeg.

In de vijftiende eeuw was het Ottomaanse rijk na China de machtigste staat op aarde; het werd door Macchiavelli in De vorst geprezen als een schoolvoorbeeld van stabiliteit. In de late negentiende eeuw was dit machtige imperium echter vervallen tot de `zieke man van Europa', een bijna weerloze speelbal van de rivaliteiten tussen de Engelse, Russische en Franse imperia. Auteurs in Europa en in het Ottomaanse rijk zelf stelden de vraag wat er was gebeurd. Beroemd als verklaring is Max Webers argument dat zich alleen in Europa een moderne, dat wil zeggen bureaucratische en gerationaliseerde staat, samenleving en cultuur hebben gevormd.

Maar is het perspectief van modernisering nog wel de vruchtbaarste invalshoek? Inmiddels is gebleken dat het verhaal van lineaire vooruitgang, modernisering en secularisatie zelfs voor Europa niet onverkort houdbaar is. De Europese geschiedenis is het resultaat van tegenstrijdige politieke, economische en andere ontwikkelingen binnen en tussen staten, en er is geen goede reden om te geloven dat dat in de rest van de wereld anders is. Het moderniseringsmotief staat nog wel centraal in Bernard Lewis' What went wrong? (besproken in Boeken, 22.02.2002) dat veel aandacht heeft gekregen in de nasleep van 11 september, en dat ook in het Nederlands is vertaald als Wat is er misgegaan? (De Arbeiderspers, €17,95). De Engelse ondertitel van zijn boek (`The clash between between Islam and modernity in the Middle East') is nogal misleidend. Het boek gaat namelijk helemaal niet over de islam, maar vrijwel uitsluitend over de vraag hoe de Ottomaanse elites reageerden op de contacten met het snel moderniserende Europa van de zeventiende eeuw en daarna. Al met al is Lewis' boek een eenzijdige en tendentieuze ideeëngeschiedenis van de moderniseringspogingen in het Ottomaanse rijk, die geen enkele aandacht geeft aan de politieke, sociale of economische factoren die deze modernisering hebben beïnvloed. Een veel genuanceerder beeld biedt Donald Quataerts bondige maar rijkgeschakeerde The Ottoman Empire, 1700-1922. Quataert, een van de meest vooraanstaande specialisten in de sociale en economische geschiedenis van het Ottomaanse rijk, slaagt erin om in krap tweehonderd bladzijden veel onverwachte perspectieven te bieden op, en nieuwe vragen te stellen over zaken als economische ontwikkelingen, de vormen van volkscultuur (variërend van kleding tot soefi-ordes), en de veranderingen in de betrekkingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen van het rijk.

Franse Revolutie

Het Ottomaanse rijk heeft de Europese Verlichting niet rechtstreeks doorleefd; maar de radicaalste politieke uiting van die Verlichting, de Franse revolutie, werd door de Ottomanen wel ijverig bestudeerd en tot een model gemaakt voor de drastische hervormingen van de negentiende eeuw. Deze zogenoemde Tanzimat-periode leidde tot diepgaande veranderingen in de verhouding tussen staat, samenleving en individu. Zo onderging de gehele mannelijke bevolking, niet-moslims inbegrepen, opeens een transformatie van onderdaan tot staatsburger. De hervormingen moesten een sterker en centralistischer staat opleveren, maar ze hadden allerlei onvoorziene en deels tegenstrijdige resultaten. Zo perkten bijvoorbeeld de landhervormingen van 1858 op veel plaatsen de macht van lokale stamhoofden in, maar in Irak versterkten ze juist het stamgebonden grootgrondbezit.

Een voor het heden bijzonder relevant deel van Quataerts overzicht betreft het beroemde millet-systeem, dat volgens sommigen het Ottomaanse rijk tot een model maakt van een multiculturele samenleving. In de loop der eeuwen stabiliseerde zich een systeem van millets of geïnstitutionaliseerde religieuze minderheden, die een autonome, getolereerde en zelfs beschermde status genoten. Leden van deze millets hadden op papier minder rechten dan moslims. Vanaf de late achttiende eeuw ondergingen de millets echter een geleidelijke omvorming van religieuze groepen tot primair in nationalistische termen van taal en volk gedefinieerde minderheden. Zo splitste de orthodoxe gemeenschap zich op in afzonderlijke Griekse, Servische, Bulgaarse en Macedonische orthodoxe kerken en daaromheen georganiseerde millets, die belangrijke voedingsbodems werden voor de nieuwe nationalistische bewegingen.

De negentiende en twintigste eeuw vertoonden een duidelijke toename van geweld in het rijk, met name tussen verschillende religieuze en etnische groepen. Quataert maakt echter aanemelijk dat de toenemende spanningen op de Balkan, in Anatolië en in de Arabische staten niet het resultaat waren van eeuwenoude etnische en religieuze tegenstellingen, maar integendeel van het moderne (en dikwijls gewelddadige) proces van natievorming, en dat ook de invloed van externe machten zoals Engeland en Rusland hier een niet te verwaarlozen factor is geweest. Rusland en Engeland hebben in de negentiende eeuw herhaaldelijk ingegrepen om de vorming van een sterkere Ottomaanse staat of opvolger daarvan te voorkomen. Ze traden onder meer op tegen Mohammed Ali, die over Egypte heerste en de Wahhabi's op het Arabische schiereiland succesvol had bestreden.

De nieuwe staten op de Balkan en het Midden-Oosten hebben zich, anders dan veel nationale mythen doen voorkomen, niet simpelweg bevrijd van een ondraaglijk juk van Ottomaanse onderdrukking en economische en culturele stagnatie. Het zijn vooral Britse en Franse plannen na de Eerste Wereldoorlog, meer dan nationale bevrijdingsbewegingen, die de inrichting van het Midden-Oosten na de val van het Ottomaanse rijk, en de grenzen hebben bepaald van de nieuwe staten, zoals Israel, Irak en Saoedi-Arabië. De nationalistische opvolgerstaten, zoals Griekenland, Egypte en zelfs Turkije, zetten zich aanvankelijk sterk af tegen hun imperiale en multi-etnische Ottomaanse verleden. Maar langzamerhand wordt in deze staten de complexe Ottomaanse erfenis in bredere kring herontdekt. Het wachten is nu tot dat ook in West-Europa gebeurt.

Colin Imber: The Ottoman Empire 1300-1650. The structure of power. Palgrave, 420 blz. €28,10 (pbk)

Donald Quataert: The Ottoman Empire, 1700-1922. Cambridge, 230 blz. €28,10