Klaagzangen over de kaasstolp

Een jaar na de Fortuyn-revolte lijken de politieke verhoudingen in Nederland weer knap ouderwets. Den Haag buigt om, het volk moet vertrouwen hebben. Of is er toch werkelijk iets veranderd? Commentatoren en waarnemers maken de balans op.

Probeer het nog maar eens uit te leggen aan een buitenstaander. Nog geen jaar geleden lag het volk aan de voeten van de flamboyante Pim Fortuyn, maar het had weinig gescheeld of datzelfde volk had twaalf maanden later een kabinet met de SGP'er Bas van der Vlies gekregen. Nederlandse politiek in een notendop. De vanzelfsprekendheid van vandaag kan de volgende dag al weer bij het grof vuil. Democratie is turbocratie geworden. Even snel gaan de daarbij behorende analyses.

Ja, het is inderdaad nog maar een jaar geleden. Pim Fortuyn vermoord, het land in shock, de gevestigde politiek in totale verwarring. Er zou nog veel meer volgen: verkiezingen die de verhoudingen in de Tweede Kamer compleet veranderden, een politieke beginneling als minister-president, en na 87 dagen alweer een kabinetscrisis.

Het was heftig, maar het was ook kortstondig. Want een blik op Den Haag leert dat er nog maar weinig over is van de alom gesignaleerde Nederlandse revolutie dan wel opstand der burgers. Het land zit al maandenlang opgescheept met een kabinetsformatie die de regenteske jaren vijftig en zestig volledig in de schaduw stelt. De hoofdrolspelers dragen weliswaar geen hoeden meer en in plaats van te verwijzen naar het communiqué van de RVD produceren ze zelf nietszeggende zinnen, maar de mentaliteit is als vanouds: wacht u maar af, wij maken onderling wel uit wat goed voor u is.

Het was een jaar geleden `hen' in het land tegenover `ze' in Den Haag. Het land voelde zich niet meer gehoord en al helemaal niet vertegenwoordigd. Den Haag sprak vol trots over banengroei en financieringsoverschot, het land bekommerde zich om niet-integrerende buitenlanders, oplopende wachtlijsten in ziekenhuizen en wegens lesuitval thuiszittende kinderen. Den Haag had het over de paarse succesformule, het land had het over de falende `hoge heren' in Den Haag. Den Haag noemden hen `verwende diva's', zij zagen in Den Haag alleen maar `elkaar de hand boven het hoofd houders'. Het leek nooit meer goed te komen. En al helemaal niet na 6 mei, de dag dat het idool van hen in het land, Pim Fortuyn, voor een Hilversumse radiostudio werd doodgeschoten.

Maar dat is dus allemaal wel meegevallen. Woedend trok het land op 15 mei vorig jaar massaal naar de stembus, bracht de partij van de dode lijsttrekker met 26 zetels in de Tweede Kamer, en verpulverde de regeringspartijen. Nog massaler maar aanzienlijk minder boos ging het land op 22 januari van dit jaar opnieuw stemmen om de eigen electorale opstand van acht maanden daarvoor weer grotendeels te corrigeren. Of had de oude politiek de wake-up call begrepen en was boosheid niet meer nodig?

Hoe moet je een revolutie verklaren? In zijn bijdrage aan de bundel Haagse tegenstrijdigheden, een jaar verder haalt de politicoloog Bart Tromp een anekdote aan van de toenmalige Franse president Pompidou. Die zou begin jaren zeventig tijdens zijn eerste bezoek aan China aan de grote leider Mao gevraagd hebben wat hij dacht van de Franse Revolutie. Waarop Mao zou hebben geantwoord dat het nog te vroeg was om daarover nu al een oordeel te vellen. Tromp gebruikt het verhaal om zijn analyse over de gebeurtenissen in het jaar 2002 van het predikaat `voorlopig' te kunnen voorzien.

En zo is het natuurlijk ook. Er zijn het afgelopen jaar wel hele grote dingen met hele grote stelligheid beweerd. Maar terwijl intellectueel Nederland zichzelf nog steeds de maat neemt over de werkelijke betekenis van het fortuynisme lijken de infanteristen van een jaar geleden al weer met heel andere dingen bezig. In politieke termen vertaald heeft de partij van Fortuyn afgedaan. Met nog maar acht zetels van de oorspronkelijke 26, plus een vrijwel zekere plaats in de oppositie heeft de LPF nog maar marginale betekenis. Maar is hiermee het boek ook gesloten?

Vooralsnog is de nalatenschap beperkt, wat blijkt uit de gemakkelijke wijze waarop Den Haag de draad van voor 15 mei weer heeft opgepakt. `De rust en zelfgenoegzaamheid is uit de politiek verdwenen', schrijft directeur Paul Schnabel van het Sociaal en Cultureel Planbureau in Haagse tegenstrijdigheden, in een bijdrage die hij kort voor de laatste verkiezingen afrondde. Het valt te betwijfelen of hij dat nu, met de ervaring van de slepende kabinetsformatie nog steeds zo zou opschrijven. De oude politieke kaste lijkt de episode Fortuyn meer en meer als slechts een incident te beschouwen.

Er is meer bespreekbaar gemaakt, wordt wel gezegd. Dat is ontegenzeggelijk waar. Maar heeft het verbale geweld van Fortuyn ook al tot daden geleid? Want `zeggen wat je denkt en doen wat je zegt', de lijfspreuk van Fortuyn, houdt ook iets van een belofte in zich. Toch valt er juist op het inhoudelijke vlak maar bitter weinig te melden. LPF-minister van vreemdelingenzaken Nawijn mag dan trots wijzen op de gestage daling van het aantal asielzoekers, maar die is te danken aan de onder Paars tot stand gebrachte vreemdelingenwet.

Wat niet is kan nog komen. Den Haag is immers zeker geschrokken van Fortuyns geslaagde aanval op het establishment. Premier Balkenende zei vorig jaar bij zijn aantreden de boodschap van de kiezer begrepen te hebben en beloofde `duidelijkheid en daadkracht'. Een belofte die beperkt bleef tot een duidelijk en daadkrachtig voortijdig einde van zijn eerste kabinet.

Volgens de publicist Hendrik Jan Schoo, die eveneens een bijdrage leverde aan Haagse tegenstrijdigheden, wilde het ongedurige electoraat dat zich vorig jaar manifesteerde een `werkzaam beleid'. Ofwel: na jaren van aanmodderen moesten problemen gewoon worden opgelost. Schoo voorspelt voor Nederland dat zich langs deze lijnen de komende jaren `geheid' een Kulturkampf zal voltrekken die te vergelijken is met de Amerikaanse culture wars tussen linkse liberals die een politiek-correcte orde verdedigden, en conservatieve revolutionairen die juist wilden afrekenen met die erfenis van de jaren zeventig.

Voor zo'n strijd is een diepe ideologische kloof tussen bevolkingsgroepen wel een allereerste vereiste, maar het bestaan daarvan is in Nederland volgens Schoo vorig jaar dan ook overduidelijk aangetoond. Dat bleek al uit de reacties op de opkomst van Fortuyn. Hij signaleert een bekende reflex van de traditionele elitemilieus met hun moral high ground bij het beoordelen van de representanten van het fortuynisme. Breed werd hun parvenugedrag uitgemeten. Schoo: `Zonder veel scrupules zet ,,hoog'' in de sociale strijd tegen ,,laag'' z'n hoge moraal in. In de ogen van gevestigden ontberen nieuwkomers altijd de morele en intellectuele capaciteiten om mede leiding te geven aan de maatschappij. Het poneren van hun ongeschiktheid om te leiden hoort tot de klassieke strategie van elites om nieuwkomers te weren.' Daarop is volgens Schoo nog altijd `het prachtige woord van Jacques de Kadt' van toepassing: `De deftigheid in het gedrang'.

Net als de sociaal-democraat Arie van der Zwan in zijn recente De uitdaging van het populisme (besproken in Boeken 04.04.03) verklaart Schoo het succes van Fortuyn door het populisme dat binnen Europa in navolging van de Verenigde Staten eindelijk vaste voet aan de grond begint te krijgen. Het heeft volgens hem geen zin dit nieuwe politieke temperament te associëren met `onderbuikgevoelens' en de zwartste bladzijden uit Europa's recente verleden, zoals gevestigde politici deden met Fortuyn. Populisme moet gezien worden voor wat het is, schrijft Schoo: `een noodzakelijke correctie op democratisch falen'. Het is een direct gevolg van ideologische vervlakking (zie paars), die een nieuwe tegenstelling mogelijk maakte: de gewone mensen tegen het gesloten, elk debat mijdende establishment.

Op die analyse van Schoo valt weinig af te dingen. Maar waar vindt dit populisme zijn politieke bedding nu de LPF als vehikel heeft afgedaan? Van der Zwan ziet in zijn boek mogelijkheden (`een boude gedachte') voor een nieuwe Fortuyn binnen `een in de knel geraakte PvdA die zich in de oppositie zal moeten bewijzen'. Het succes van Wouter Bos, die het verlies van de PvdA bij de verkiezingen van vorig jaar afgelopen januari nagenoeg ongedaan maakte, heeft inmiddels laten zien dat het ook met andere middelen kan. Luisteren in plaats van betweterig poneren helpt al heel wat.

Schoo voorziet in de naaste toekomst een verdeling van loslopende LPF-kiezers over partijen die bereid zijn tot nuchtere belangenbehartiging. De VVD kan zich in dat geval ontfermen over de `vulgaire elite' van welgestelde nieuwe ondernemers, terwijl de PvdA zich weer tot tolk kan maken van de achterhoede in de volkswijken. Minder goed raad weet Schoo met een derde groep: de lagere middenklasse, de `moderne burgers' die een ander belangrijk segment vormden van het LPF-electoraat. Kenmerkend voor zijn manier van denken is dat hij hier haast automatisch een taak ziet voor de PvdA, omdat anders de VVD of de LPF `het op haar manier doet'. Alsof de VVD zich niet al ten tijde van Wiegel heeft trachten te ontfermen over de lagere middenklasse. Juist hier zijn VVD en PvdA elkaars directe concurrenten. Niet voor niets heeft ook de VVD vorig jaar een forse prijs moeten betalen. Sterker nog, de VVD betaalt die prijs nog steeds, terwijl de PvdA na de jongste verkiezingen de klap van 15 mei electoraal alweer te boven lijkt gekomen.

Maar in de beeldvorming blijft het fortuynisme vooral een probleem dat aan de PvdA zit vastgeklonken. Helemaal verwonderlijk is dat niet, omdat de PvdA, zoals haar oud-fractievoorzitter Thijs Wöltgens ooit zei, als meest politieke van de politieke partijen nu eenmaal altijd alle aandacht op zich weet te vestigen als `de' politiek in het geding is.

Die fixatie op de PvdA komt ook naar voren in Niet spreken met de bestuurder, van de journalist Gerard van Westerloo. Het probleem van de politiek dat hij daarin uitermate meeslepend beschrijft is bovenal een PvdA-probleem. Van Westerloos boek bestaat voor het grootste deel uit eerder gepubliceerde, deels beweerkte, artikelen voor NRC Handelsblad en Vrij Nederland. Wat niet vaak gebeurt bij gebundelde stukken, is dat de samenvoeging voor een absolute meerwaarde zorgt. Dat is bij het boek van Van Westerloo overduidelijk wel het geval. Zijn reportage over het ongenoegen van Amsterdamse trambestuurders op lijn 16 was al een openbaring toen deze in 1984 in Vrij Nederland verscheen. Wie dit verhaal nu terugleest, plus Van Westerloos hernieuwde kennismaking met dezelfde tramlijn anno 2003, gaat zich bijna afvragen of Nederland niet ook hoognodig van buitenaf bevrijd moet worden. In 1984 waren het volgens de trambestuurders de progressieve `socialen' in de bedrijfsleiding die primaire reacties van de werkers op de tram met dwingend moralisme en taboes de kop in drukten. Zoals een van hen zei: ,,Als je bij ze kwam om te vertellen dat je tram door een bende zakkenrollers onveilig gemaakt werd, dan stuurden zij een antropoloog op je af die je ging vertellen over het ontstaan van Paramaribo''. Dezelfde trambestuurder blijkt ook bijna twintig jaar later nog over een haarscherp waarnemingsvermogen te beschikken. Hij wist nog precies wat hij over `de socialen' had opgemerkt. Het erge was: ze waren er nog steeds, maar wel `omgeturnd' ondertussen. ,,Ze hebben de ringetjes uit hun oren gehaald, ze hebben een pak gekocht, ze hebben een das omgeknoopt en u zijn ze geen socialen meer, maar managers. Alleen dat streberige hebben ze nog steeds hoog in het vaandel staan, dat streberige voor zichzelf dan.''

Ingeklemd tussen de ervaringen van deze trambestuurders in 1984 en in 2003 (ze vormen het openingshoofdstuk en slothoofdstuk) vertelt Van Westerloo zijn verhaal over de teloorgang van de Nederlandse politiek. Hoe de ons-kent-ons cultuur de lokale politiek in Arnhem perverteerde, hoe in Leeuwarden de plaatselijke politiek vooral een stageplaats bleek voor studenten van de in de stad gevestigde Thorbecke-bestuursacademie, hoe de PvdA-fractie in de Tweede Kamer met de straffe hand van Melkert telkens tot onvoorwaardelijke steun aan het kabinet werd gedwongen. En hoe ondertussen heel veel op straat levend ongenoegen onbenoemd bleef. Voor Van Westerloo was het succes van Fortuyn dan ook geen verrassing. Het was `de apotheose van een lang uitgestelde crisis, de uitkomst van een al twintig jaar smeulend proces'. Dat is misschien ook wel het meest dramatische van Van Westerloos jarenlange ontdekkingstocht door Nederland die in dit boek is samengebracht: het ongenoegen zat niet verstopt, het was manifest. Het werd alleen niet serieus genomen.

Dit kan en mag politici worden aangerekend. Van Westerloo heeft dat dan ook gedaan. Bij de presentatie van zijn boek vorige week in Amsterdam droeg hij een `aanklacht' voor tegen regering, parlement, politieke partijen en parlementaire pers wegens hun `aanslag op de democratie' (een bekorte versie van de aanklacht is afgedrukt in deze krant van 26 april). De democratie in Nederland is een illusie verworden, zegt hij en de in zijn boek neergeslagen bevindingen vormen daarvoor het bewijsmateriaal.

Maar na al zijn veldwerk, ontpopt Van Westerloo zich hier niet als analyticus maar als een romanticus, die meent dat er een ideale democratie bestaat waar iedereen volledig en tot zijn volle genoegen aan zijn trekken kan komen. De werkelijkheid is prozaïscher. In een parlementaire democratie speelt de factor macht nu eenmaal een cruciale rol. Politieke partijen moeten macht zien te verwerven en zulk power play, het `bedisselen' van dingen in Den Haag, is geen mooi proces, maar wel inherent aan het politieke bedrijf.

De vertrouwensbreuk tussen politiek en volk die vorig jaar tot uitbarsting kwam, is bovendien complexer dan Van Westerloo voorstelt. Hij betoogt dat politieke partijen zich hebben ontwikkeld tot ondoordringbare bastions die de burger buitensluiten. Hij heeft gelijk over de eenzijdige achtergrond van politici (hoger opgeleid, werkzaam in de collectieve sector), maar die is niet het gevolg van een weigering om anderen toe te laten, maar van het feit dat anderen zich nauwelijks melden. De geëmancipeerde Nederlandse samenleving heeft de politiek in de onbekommerd welvarende jaren negentig en masse uitbesteed aan beroepspolitici. Het eerste slachtoffer daarvan is de politiek zelf. Maatschappelijk aanzienlijk minder geworteld dan vroeger worden politieke partijen geconfronteerd met een steeds mondiger, geïndividualiseerde bevolking die snelle, op maat gesneden oplossingen eist voor elk probleem.

Dan is het wel erg makkelijk om bij monde van een aantal leunstoeldeskundigen, politicologen in dit geval, die stuk voor stuk de oplossing ook niet paraat hebben de democratie te bestempelen tot een `illusie'. Overtuigend is het in elk geval niet. Temeer daar van Westerloo het heeft over het verworden van de democratie in Nederland. Dat suggereert toch op zijn minst dat die betere tijden heeft gekend. Wanneer? Onder Lubbers, De Quay of Drees? Onzin natuurlijk. De `klagende klasse' kan met even veel reden juist beschouwd worden als een product van democratische vooruitgang.

Nu politieke partijen geen emancipatiebewegingen meer zijn is politiek ook veel minder een roeping dan vroeger. Het is mensenwerk geworden, met alle daarbij behorende menselijke trekjes. Mensen worden gepasseerd, opzij gezet, in de rug gestoken, belazerd enzovoorts. In zijn onlangs verschenen boek Politiek Handwerk geeft het voormalige Tweede-Kamerlid Bert Middel (PvdA) daarvan talloze voorbeelden. De raillerende opmerkingen over het werk als Kamerlid (`druk, druk, druk en verder nergens meer tijd voor') doen prettig nuchter aan. Maar een groot deel van het boek gaat op aan het minutieus en soms vilein tegen het licht houden van collega-fractieleden (`Judith Belinfante, wereldberoemd binnen de hoofdstedelijke grachtengordel'). Misschien aardig voor de vierkante kilometer aan het Binnenhof, maar verder van weinig waarde. Terwijl Middel zoveel meer zou kunnen melden.

Ongewild bevestigt hij van binnenuit namelijk veel observaties van Gerard van Westerloo. Benoemingen worden onderling geregeld, de fractie is er vaak voor om de `eigen' minister uit de wind te houden. Jammer daarom dat Middel met zijn lange ervaring in de fractie en als kenner van de partij niet dieper en meer analytisch is ingedaan op de aanklacht tegen de politiek en die tegen de PvdA in het bijzonder. Het turbulente jaar 2002 wordt in een paar pagina's afgeraffeld met in het voorbijgaan de conclusie dat de sociaal-democratie een heldere koers mist en dat de PvdA moet terugkeren naar de wortels.

Dat vraagt nu juist om nadere uitleg, want kán de oplossing voor de huidige crisis gevonden worden door `herideologisering', zoals ook fractievoorzitter Rouvoet van de ChristenUnie beweert in Haagse tegenstrijdigheden? Nu de kortstondige revolutie van de nieuwe politiek is teruggebracht tot normale proporties, komt het weer aan op moreel leiderschap, schrijft hij.

Richtinggevende politiek, ofwel politici met een duidelijke boodschap – daar komt het dus op neer. Het is vaker gehoord. Ze zijn er ook, de mensen die dat kunnen. De verkiezingscampagne van begin dit jaar was één en al boodschap van diverse politici. Het probleem is alleen dat die boodschap de dag na de verkiezingen door velen alweer was vergeten toen de macht moest worden verdeeld. Dát valt steeds minder goed uit te leggen. Boos zoals vorig jaar zijn de mensen niet meer; die boosheid heeft plaatsgemaakt voor berusting. En dat is pas echt een bedreiging voor de democratie.

Gerard van Westerloo: Niet spreken met de bestuurder. De democratie beproefd. De Bezige Bij, 366 blz. €18,50

H.J. Schoo e.a.: Haagse tegenstrijdigheden, een jaar verder. Amsterdam University Press, 70 blz. €14,50

Bert Middel: Politiek Handwerk. Meulenhoff, 278 blz. €19,50