`Huilen'

Wim van Est klautert uit het ravijn van de Aubisque en hij huilt. Het is een hartverscheurend gezicht. Die grote, sterke man met dat oude jongenshoofd, vertrokken in een smartelijke grimas. Zijn hele lichaam huilt mee.

Kun je hier nog wel van `huilen' spreken? Bij huilen denk ik eerder aan `snikken', een ruwere versie van schreien. Van Est trok een ander register van het verdriet open. Het dodelijk bedroefde kind kwam in hem boven. Dit was geen huilen meer, dit was grienen én janken én bulken tegelijkertijd.

Verdriet werd leed.

Jaren later, `Wimme' is een oude man geworden. Hij mag bij de Aubisque een plaquette, gewijd aan zijn beroemde val, onthullen. Hij wendt zich af en wéér huilt hij. Korter nu, maar minstens zo intens als bijna een halve eeuw eerder.

Vreemd. De huilende man heeft altijd meer indruk op me gemaakt dan de huilende vrouw. Als ik mijn moeder vroeger zag huilen, kreeg ik medelijden. Het huilen van mijn vader maakte me overstuur. Bij de man weet je dat hij er meer schaamte voor heeft overwonnen. De mannelijke trots moest opzij.

Ik zat naar die vertrouwde beelden te kijken in de aan Van Est gewijde necrologieën en ik vroeg me af of ik als volwassene ooit zó gehuild had. Mensen die intiem met elkaar omgaan, vragen het wel eens: ,,Wanneer heb jij nou voor het laatst écht gehuild?'' Dan moet je vaak diep nadenken of je doet alsof, omdat je het niet wilt zeggen.

De huilende Wim van Est bracht een oud voorval in me boven.

Het gebeurde in de jaren zeventig, we woonden in een dorpje op het Groninger platteland. Kinderen kwamen met een gevonden katje langs de deur. Hun moeder dacht dat hij van ons was en `anders moest-ie maar weg'. Het was een rossig katertje, een paar maanden oud.

Binnen sprong hij, de slimme donder, meteen in mijn armen, waarop ik de historische woorden schijn te hebben gesproken: ,,Ik geloof dat we hem maar moeten houden.''

We noemden hem Tsjip, met dank aan Elsschot. Het bleek een levendig, erg aanhankelijk katje. Hij trok meer naar mij dan naar mijn vrouw, wat ik zeer in hem prees, want meestal is het andersom.

Na een paar maanden moest hij gecastreerd worden. De dierenarts was iemand `van het dorp', die meer ervaring had met het grote vee dan met huisdieren. Maar dat merkten we pas nadat hij Tsjip een te zware narcose had toegediend. Hij had verzuimd hem tevoren te wegen een routinehandeling voor een goede dierenarts.

Daar lag Tsjip. Zonder ballen, maar met een gifbom in zijn lijfje die hem permanente ademnood bezorgde. Hij beefde in al zijn vezels, terwijl zijn hart als een gek tekeerging. Over zijn ogen lag een grijs, moedeloos waas.

Het échte leven was al uit hem geweken. Drie dagen lang probeerden we hem tevergeefs op te lappen. Toen moesten we op zoek naar een huisdierenarts `in de stad'.

Op de heenweg beet Tsjip mijn vrouw, die hem vasthield, in haar hand zijn laatste teken van leven. Toen we hem bij de arts op tafel legden, was hij al dood.

Vijf minuten later stonden we weer buiten, op de Ubbo Emmiussingel. Op dat moment veranderde ik even in Wim van Est.