Gruwelen in het zonnetje

De mens heeft een aangeboren huiverbehoefte, hij wil om de zoveel tijd verkeren op het punt waarop de spanning op het punt staat van aangenaam naar onaangenaam te verglijden. Deze zin wordt bevestigd door Fik Meijers Gladiatoren, een geschiedenis van het onvoorstelbaar bloederige jacht- en vechtsporttheater uit de Romeinse tijd. Ik heb dit boek huiverend en met rode oortjes gelezen. Om met de huiver te beginnen: breng wat Meijer in dit boek beschrijft in beelden op je netvlies en het kippenvel trekt op.

De gladiatorenspelen mogen dan rond 300 v.Chr. bescheiden zijn begonnen, in de volgende eeuwen groeiden ze uit tot grootse bloedfestivals, waarbij kosten noch moeite werden gespaard en per keer duizenden dieren het leven lieten: behendige hazen of gazellen, krachtexemplaren van het merk olifant, bijters en krabbers als krokodillen, beren, jachtluipaarden, leeuwen, speciaal voor dit doel gevangen en in ontzagwekkenden aantallen naar Rome verscheept. Wat bood een dagje Colosseum? Openingsnummer was een reeks dierengevechten, gevolgd door jachtacts, en als lunchpauzenummer de executie van misdadigers en gearresteerde vluchtslaven. Het kwam voor dat het publiek hierna werd verstrooid door atletiek en komieken, waarschijnlijk alleen maar om ze naar het hoofdprogramma uit te doen zien: de gladiatorengevechten. Gruwelijk, huiveringwekkend inderdaad. Meijer geeft details die het verstand doen stilstaan. Want onder het hoofdstuk `dierengevecht' mogen we ook de volgende, door de puntdichter Martialis geboekstaafde, variant rekenen: een vrouwelijke gevangene kreeg een koeienhuid omgehangen, haar vagina werd ingesmeerd met bloed van een tochtige koe, waarop een stier in de arena werd losgelaten. Erg onaangenaam om te zien wed ik, maar met het aangename gevoel zelf lekker in het zonnetje te zitten met een goed glas wijn, kauwend op een handje geroosterde pijnboompitten.

Ik heb de indruk dat Fik Meijer in zijn aangrijpend, vlot geschreven boek zo ongeveer alle aspecten van het gladiatorengevecht bestrijkt. Zo las ik over de architectuur van de theaters, de logistiek, de opbouw van de voorstelling, de acteursopleiding, het publiekscomfort, de inhoud en de strekking van wat werd gebracht: het tonen van de macht van de Romeinse civilisatie (de keizer zelf) over de onbeschaafde natuur, zowel mens als dier. Dat die macht bruut werd uitgeoefend, tja, het moest dan ook absolute macht uitstralen.

Een onnoemelijke hoeveelheid kadavers, bloed, stank en walm bleef achter in het zomerse Rome. De Tiber was weliswaar geduldig en geëxecuteerden en dierkadavers werden vaak aan de volgende lichting leeuwen voorgelegd, maar ook de behoeftige Romein kon zich aanmelden voor een bout van haas of gazelle, wat tot dankbaarheid aan de keizer leidde. Een barbaarse tijd. Maar terecht wijst Meijer erop dat die tijd lang na het einde van de gladiatorenspelen (omstreeks 404) heeft voortgeduurd in de vorm van het gerechtelijk duel, riddertoernooi, herenduel of in openbare terechtstellingen zoals nog in het China van 2002: zeventienhonderd in twee maanden.

Fik Meijer: Gladiatoren. Volksvermaak in het Colosseum. Atheneum-Polak & Van Gennep, 252 blz. €19,95