Gouden beker

Ruim voordat de nazi's Duitsland als eerste land hadden bezet, kende Nederland al een soort bevrijdings- of onafhankelijkheidsdag. Op 17 november stond iedereen stil bij het einde van de Franse Tijd in 1813. In 1913 was een speciale eeuwviering, die in Rotterdam werd aangegrepen voor een nieuwe voetbaltraditie: de strijd om de Gouden Onafhankelijkheidsbeker. Tot en met 1964 was dit een terugkerend verschijnsel.

Het was een idee van de Rotterdamse burgemeester A.R. Zimmerman. Een Rotterdams elftal speelde jaarlijks tegen `de Rest van Nederland', later de Bondsploeg genoemd. Deze wedstrijd had een liefdadig karakter. De helft van de opbrengst ging naar goede doelen die door de Rotterdamse burgemeester werden aangewezen. De rest werd overgemaakt naar het NOC, dat vooral in het begin die centen waarschijnlijk goed kon gebruiken. Het comité was op de dag van de eerste wedstrijd voor de Onafhankelijkheidsbeker op 17 november 1913 piepjong –veertien maanden minus zes dagen om precies te zijn.

Keer op keer stond een Rotterdamse selectie tegenover een elftal dat door de voetbalbond werd aangewezen. Die eerste keer in 1913 werd op het oude Sparta-terrein aan de Prinsenlaan gespeeld. De `thuisploeg' won met 3-2. De Rotterdammers mochten de bokaal dus meenemen die voor een jaar werd opgeborgen in het museum Boijmans. Als de Bondsploeg won, zoals ze in 1914 bijvoorbeeld deed, werd het kleinood tentoongesteld in een openbaar museum in Den Haag. Vanaf 1920 werd niet meer om de originele beker gespeeld, omdat die dat jaar uit Boijmans was gestolen. Vanuit Rotterdam werd meteen daarna een replica afgeleverd. Een klassiek verhaal, dat hoort bij zo'n traditie. Want wat stelt een beker nou voor als die niet minstens één keer is gestolen, vernield of bespuugd? Als het origineel maar toevallig terugkomt (zoals de wereldbeker voetbal in 1966) of goed wordt nagemaakt.

Tot en met 1964 zijn er overigens een aantal jaren overgeslagen: 1919, 1940 tot en met 1944, 1962 en 1963. Dat tijdens de Tweede Wereldoorlog niet werd gespeeld, is nog te begrijpen. Het was moeilijk uit te leggen aan de Duitse bezetters dat er behoefte bestond aan de herinnering van een vrij Nederland. Het zou emoties los kunnen maken bij spelers en publiek die in de toenmalige Duitse ogen ongewenst waren. Het jaar 1919 werd wellicht overgeslagen wegens de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, de maatschappelijke onrust na de revolutiepoging van Troelstra en de toen heersende Spaanse griep. Maar waarom in de jaren zestig twee edities werden overgeslagen is mij een raadsel. De Onafhankelijkheidsbeker hield op te bestaan door de overvolle agenda van de voetballers; ze hadden geen tijd meer zich voor nog een pot voetbal. Daarmee sneuvelde een oude traditie, die vermoedelijk nooit meer terugkeert.

jurryt@xs4all.nl