Geluk is voor het werkvolk

De vrije wil is een illusie, vond Marcellus Emants. In het voetspoor van zijn grote voorbeeld Émile Zola schreef Nederlands beroemdste naturalist een half dozijn romans waarin mensen het slachtoffer waren van hun afkomst – met als ellendigste prototype Willem Termeer, de slappe, genotzuchtige hoofdpersoon van Een nagelaten bekentenis (1894). Emants' sombere determinisme kreeg navolging, onder meer van J.van Oudshoorn (Willem Mertens' levensspiegel) en W.F. Hermans (De donkere kamer van Damokles), en zou in het derde millennium wel eens een spetterende comeback kunnen maken. Per slot van rekening wijten we tegenwoordig alles aan de genen.

De nieuwe roman van Nicolien Mizee, die drie jaar geleden sprankelend debuteerde met de novelle-in-faxvorm Voor God en de Sociale Dienst, is een oefening in neonaturalisme. `Onze hele familie bestaat uit rare, zielige types,' verzucht de 28-jarige hoofdpersoon van Toen kwam moeder met een mes; en het hoeft dan ook niet te verbazen dat ze er zelf niet beter aan toe is. Ida Servaas zoekt wanhopig het geluk, maar is vastgelopen in het leven. In dat opzicht lijkt ze op de geboren mislukkelinge uit Mizees debuut, zij het dat het haar aan daadkracht ontbreekt om actief de nonconformiste uit te hangen. Neurotisch van aanleg, en niet in staat tot `normaal' menselijk contact, draait Ida telkens rond in het cirkeltje van haar disfunctionele familie. In de eerste alinea van de roman krijgt ze een blackout tijdens haar werk als schilder; ze raakt overspannen en weet kort daarna haar moeder zo te beledigen dat die voor de zoveelste keer moet worden opgenomen in een psychiatrische inrichting.

Om die moeder draait het in Toen kwam moeder met een mes. Als telg van een vooraanstaande artistieke Haarlemse familie heeft mevrouw Servaas-Eleveld haar drie dochters opgevoed volgens even strenge als absurde normen, die variëren van muzikale vooroordelen (Bach is de grootste, Puccini is voor werkvolk) tot minachting voor mensen die houden van gezelligheid in huis en een kleurig anti-vliegengordijn voor de tuindeur. Moeders goede smaak (`Dat bestaat helemaal niet!' zegt Ida; `toch regeert het onze familie') en haar wens `dat haar dochters bij anderen in de smaak zouden vallen' lijken desastreuze gevolgen te hebben gehad: Ida is een neuroot, Trude een chaoot en Sannie is dood (uit frustratie, omdat haar moeder van haar eiste dat ze het goed maakte met de judoleraar die haar had aangerand). Maar goedbeschouwd valt moeder niets te verwijten – ook zij is een slachtoffer van een familie waarin gekte en ongelukkigheid genetisch verankerd zijn.

In Toen kwam moeder met een mes schildert Mizee met een aangenaam lichte toets het tableau van de familie Eleveld. Het perspectief wisselt tussen Ida, haar zuster Trude, en haar zorgzame oom Melchior, een pianohandelaar die altijd probeert het goede te doen maar telkens weer door het leven geslagen wordt. Zijn dochter heeft anorexia, zijn vrouw verdenkt hem van ontrouw, zijn neef zuivert zichzelf met landbouwgif en blijkt postuum een pedofiel te zijn geweest, zijn lievelingsnicht (Ida) vervalt in lethargie, en hij voert een hopeloze strijd tegen oprukkende muppies, reclamezuiltjes, op het oude stadsplein. `Wat hij ook deed of naliet, hoezeer hij ook zijn best deed, het kwam nooit goed in zijn leven.'

Het gedoemde streven van Melchior om zijn omgeving te helpen is een van de lijnen die Mizee in Toen kwam moeder met een mes uitzet. Daarnaast is er de de typisch naturalistische reconstructie van Ida's jeugd om duidelijk te maken hoe ze zo verknipt is geraakt. In flashback denkt ze terug aan de keer dat ze door haar moeder gedwongen werd om te gaan spelen bij een vriendinnetje van wie de vader een misdadiger was; en herinnert ze zich al die keren dat ze moest luisteren naar de familieverhalen over andermans laag-bij-de-grondsheid: `stiekem geloofde ze dat de mensen die de lachlust van haar familie opwekten eigenlijk een veel beter en gelukkiger leven leidden dan zij. [...] Als haar ouders erachter zouden komen dat ze er zulke ideeën op nahield, zouden ze diep teleurgesteld in haar zijn en voortaan zwijgend, pijnlijk gegeneerd, langs haar heen kijken. En de mensen met de taalfouten, de vitrages en de gekleurde linten zouden haar evenmin in hun midden willen opnemen, omdat ze hen immers al die jaren belachelijk had gemaakt. En zo zou Ida nooit ergens bijhoren en altijd verloren rondlopen.'

Ida rijst voor ons op, in al haar onzekerheid en haar angsten. (`Al die jaren heb ik lopen denken dat de wereld verging,' denkt ze wanneer ze telefonisch bedreigd wordt door moeder, die haar verwijt dat ze haar in de inichting drie maanden lang niet heeft opgezocht; `maar ik was alleen maar bang dat mijn moeder de trap opkwam.') Haar innerlijke monologen en gesprekken met familieleden zijn vermakelijk, soms ronduit grappig, en vooral vlot geschreven. Werd Mizees debuut nog ontsierd door lelijke zinnen en een paar dubbel uitgelegde grappen – haar tweede roman is glad gepolijst zonder dat dit ten koste is gegaan van de soms stekelige humor.

Het enige wat ontbreekt aan Toen kwam moeder met een mes is een dwingend verhaal. De motoren van de plot – de door raadsels omgeven dood van Sannie, de opnames voor een televisiedocumentaire die als een zwaard van Damocles boven de familie Servaas-Eleveld hangt, de ontsnapping van de wraakzuchtige moeder uit de psychiatrische inrichting – vallen uiteindelijk stil zonder dat de bestemming bereikt is. Mizees roman eindigt abrupt, met de dood van een van de hoofdpersonen; ze had nog best een tijdje door kunnen gaan. Slechts vagelijk is er aan het eind van het boek de suggestie dat Ida erin slaagt om zich los te maken van haar familie en haar tobberig bestaan. Zoiets is ook te veel gevraagd in een zichzelf respecterende naturalistische roman. `Moeder zou haar nooit met rust laten', realiseert Ida zich. En zo is het ook met de genen: je kunt er niet aan ontsnappen.

Nicolien Mizee: Toen kwam moeder met een mes. Nijgh & Van Ditmar, 208 blz. €15,95