Even op de bel trappen

W.F. Hermans was een literair polemist van wereldformaat, die het vooral had gemunt op Nederland. De bron van zijn haat lag niet in de Tweede Wereldoorlog, maar in zijn traumatische kindertijd, concludeert een nieuwe studie.

`Gomperts heeft mij altijd naar wens bediend. Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder trapt op zijn bel.' Dat schreef Willem Frederik Hermans in 1955 in Podium.

Zo'n zinnetje is even geestig als naargeestig, een dodelijke combinatie. Hoe grof de mededeling op zichzelf ook zijn mag, de formulering ervan tilt haar daar ver bovenuit en verleent haar een geheel eigensoortige waarheid. Voor eeuwig wordt Gomperts door Hermans letterlijk `op zijn kop gezeten'. Zo werkt `waarheid' nu eenmaal in literatuur.

H.A. Gomperts mag dan een van de slachtoffers van Hermans' polemisch temperament zijn geweest, hij zag wel haarscherp hoe Hermans (1921-1995) zijn gevoelens van afkeer wist te voorzien van literaire waarheidssuggestie. In de inleiding van Muizenhol, zijn vorige week verschenen studie over de verhouding van Hermans tot het door hem verfoeide Nederland, citeert Ronald Havenaar de woorden waarmee Gomperts Hermans' polemische geheim beschrijft. De eenzijdige en onaantastbare waarheden van Hermans, zo zegt Gomperts, hebben het karakter van een gesloten systeem: `[...] terwijl de schrijver blind is voor alle gezichtspunten, menselijke verhoudingen en waarheden die buiten zijn uitzicht vallen, is hij voor zijn eigen gezichtspunt vrijwel helderziend. Het fascinerende [...] is de projectie van die beperktheid in een gedetailleerd systeem.' Twee woorden staan hier tegenover elkaar: blind en helderziend. Zoals altijd waar het Hermans betreft, is het kiezen of delen. Als je objectief wilt blijven en dé waarheid zoekt, dan moet je niet met Hermans meegaan. Maar als je met hem meegaat, dan stap je in het duistere systeem van Hermans' blinde woede, die hem helderziend maakt en jou overlevert aan zijn `waarheden'. Aldus Gomperts.

Ronald Havenaar wil in Muizenhol doen wat Gomperts niet mogelijk achtte: met Hermans meegaan en toch aan de eis van objectiviteit blijven voldoen. Hij wil Hermans' beeld van Nederland begrijpen als diens hoogstpersoonlijke `waarheid', als een motief in zijn literair werk, en hij wil Hermans' negatieve Nederlandbeeld uit dat literaire systeem losmaken om te toetsen welke objectieve waarheid het over onze natie bevat. In zijn boek heeft Havenaar het eerste doel verwezenlijkt, het tweede niet.

Havenaar inventariseert Hermans' opvattingen over Nederland op het gebied van de zeden, de politiek, de taal, de literatuur en de oorlog. In een slothoofdstuk, dat de titel `Muizenhol' draagt, maakt hij de rekening op. In de thematische hoofdstukken doet Havenaar veel rake observaties. In het eerste hoofdstuk over de Nederlandse zeden laat hij zien dat Hermans zelf leed aan eigenschappen waarom hij de Nederlander vervloekte. Havenaar laat mooi zien hoe Hermans in Nederland in feite zichzelf haatte.

Vrijheidsdenken

Het hoofdstuk over politiek interpreteert nauwelijks en is daardoor veel minder verrassend. Bekende zaken passeren de revue: spijt over de teloorgang van Indië, de gefrustreerde band met Zuid-Afrika, de irritaties aangaande socialisme, vrijheidsdenken, progressiviteit en onderwijshervormingen, en de gang van zaken in de episode `Groningen'. Het hoofdstuk over Hermans' opvattingen over taal vind ik nog bleker: hier zet Havenaar de taalkritiek van Hermans en zijn opinies over spelling en het Vlaams zonder enige distantie op een rijtje. De waarde van Havenaars inventarisatie van Hermans' literaire opvattingen hangt sterk af van wat de lezer al weet. Voor de beginner biedt het een aardig overzicht, maar voor wie in Hermans' poëtica is ingevoerd, passeert er helaas niks nieuws.

Sterk is daarentegen het hoofdstuk `Oorlog'. Havenaar koppelt de traumatische gebeurtenis die de familie Hermans in de meidagen van 1940 trof, de zelfmoord van Hermans' enige zus Corrie, via de roman Ik heb altijd gelijk, op een subtiele manier aan de verstoorde band die Hermans met Nederland had. Hij maakt aannemelijk dat Hermans zijn ontreddering vanwege dat hoogstpersoonlijke drama als schrijver heeft afgereageerd op `Nederland' – een literaire projectie van alles waardoor hij zich in zijn jeugd gekweld en gekneveld heeft gevoeld. Met het treurige beeld dat Hermans van Nederland geeft, schept hij een collectief evenbeeld van de privé-wereld van zijn jeugd. Door dat evenbeeld sadistisch uit te werken heeft Hermans wraak genomen op zijn `milieu van herkomst', aldus Havenaar. Havenaar komt met gedurfde uitspraken, waar Hermans' biograaf nog maar eens goed naar moet kijken, maar die mij voorlopig plausibel lijken. Hij meent dat de ervaring van de oorlog en alles wat er aan ellende op gevolgd is, Hermans' wereldbeeld niet heeft gevormd, maar wel heeft bevestigd. `De bron van Hermans' wraakzucht ligt in zijn kindertijd', zegt Havenaar.

Dit is de kern van Havenaars studie en dit werpt een nieuw licht op Hermans werk. Zo heb ik bijvoorbeeld altijd gevonden dat Ik heb altijd gelijk de minst geslaagde onder Hermans romans was, maar na de lectuur van Havenaars betoog heb ik de neiging te denken dat Hermans' hele werk rondom dit heikele boek draait, en dat het misschien wel dáárom zijn minst afgeronde roman is.

Maar Havenaars werkwijze roept ook enkele bezwaren op, onder meer tegen de ahistorische behandeling van het materiaal, literair en niet-literair. Zowel Hermans als Nederland verandert sterk tussen laten we zeggen 1951 en 1993. In het Nederland van de wederopbouw is Hermans een compromisloos opererend schrijver die slechts in kleine kring faam geniet. In het geëmancipeerde Nederland van veertig jaar later is Hermans een literaire majesteit en een dure journalist die over van alles en nog wat oreert, zonder dat die uitspraken nog de spanning hebben die het gesloten systeem van zijn blinde woede er vroeger aan oplegde. Deze historische verschillen kun je niet negeren.

Literaire formule

Een ander bezwaar geldt Havenaars gelijkschakeling van Hermans' uitspraken in columns en interviews aan die van zijn romanpersonages. In Hermans' journalistieke stukken telt de waarheid van de opinie, in zijn verhalen telt de slechts de geldigheid van de literaire formule. Of ik het met de journalist Hermans eens ben of niet, is literair gezien oninteressant, want wat een mening waard is, doet helemaal niet meer ter zake zodra deze een dragend onderdeel vormt van het gesloten systeem van een literaire formule. Dan telt alleen nog maar de geldigheid van die formule. En die is bij Hermans vrijwel altijd dwingend.

Havenaar is zich van dit onderscheid niet genoeg bewust. Hij doet de schrijver Hermans te weinig recht en geeft de journalist, en daarmee de cultureel historicus, te veel eer. De eerste was helderziend en had altijd gelijk, de laatste was nogal eens blind en had vaak ongelijk. Het fascinerende aan de figuur Hermans is bovendien dat hij deze `aandoening', die Havenaar niet lijkt te zien, nog veel genadelozer bij zichzelf gediagnosticeerd heeft dan iemand anders het ooit had kunnen doen, en dat niet één keer, maar aanhoudend, verhaal na verhaal. Een voorbeeld. In 1957 publiceerde hij een verhaal dat `De blinde fotograaf' heet. In dat verhaal gaat de ziende journalist Appie ten behoeve van zijn wekelijkse sensatierubriek `Paradoxale persoonlijkheden' een blinde fotograaf interviewen. De nuchtere Appie beschouwt het vraaggesprek als een journalistieke routineklus, maar het loopt erop uit dat hij in de ban raakt van de `helderziendheid' van de blinde fotograaf. Het is een geestig verhaal over een naargeestige toestand en het deerniswekkende personage, een door zijn ouders geknevelde blindeman die met overslaande stem over de waarheid tiert – een zelfportret van het groot geworden, maar voor eeuwig beschadigde kind Wim Hermans.

De waarheid die Hermans in zijn verhalen over zichzelf uitspreekt, is altijd nog onbarmhartiger dan de waarheid die Gomperts of wie ook maar over hem wist te vertellen. Daarin schuilt de tragische oorzaak van Hermans' superioriteit: lager dan hij zichzelf had zitten, konden anderen hem nooit neerzetten. Hermans vond niet dat hij het met zichzelf getroffen had, maar hij heeft op zeker moment besloten `zich erdoorheen te slaan', zoals hij dat noemde, waarbij dat `slaan' letterlijk genomen dient te worden. Aan Hermans' sadistische universum lag een masochistisch universum ten grond slag. Daardoor was hij als sadist vanzelf ieders meerdere. Wat valt hierom te lachen? vroeg hij zich soms hardop af. Misschien was erom lachen wel het enige dat erop zat. Resultaat: een literair polemist van wereldformaat, die alles wat `Nederland' genoemd kon worden dwangmatig kleineerde tot de mythologische proporties van een muizenhol, zoals Havenaar heeft laten zien.

Zijn de uitspraken van zo'n auteur (over Nederland of wat dan ook) nu waar? Nee, natuurlijk niet. Ze vertegenwoordigen de helderziendheid van een blindeman en juist dat is hun aangrijpende waarheid. Die waarheid lijkt mij meer dan voldoende. En zijn de uitspraken van zo'n auteur, bijvoorbeeld over Nederland, cultuurhistorisch relevant? Niet als ze geïsoleerd worden uit het gesloten systeem van de literaire formule die ze waar maakt. Maar wel als de cultuurhistoricus die ze onder de loep neemt, de waarde weet te taxeren die dat literaire systeem ze geeft. Havenaars belangrijke studie laat zien hoe moeilijk dit laatste is, maar ook hoe lonend dit kan zijn.

Ronald Havenaar: Muizenhol. Nederland volgens Willem Frederik Hermans. G.A. van Oorschot, 214 blz. €17,50