Een jongen die niet in de wereld is

In de schrijfster Martha Heesen schuilt onmiskenbaar een jongen van elf, een eigenzinnig kind, maar ook een gevoelige tobber. In veel van haar boeken duikt hij op. Niet altijd onder dezelfde naam soms heet hij Stoffel, dan weer Staf, Adam of Faas maar je herkent hem onmiddellijk: is het niet aan zijn `zwarte knikkerogen' en het donkere sluike haar, dan wel aan zijn manier van doen. Je zou het onthecht kunnen noemen, alsof hij geen deel uitmaakt van de wereld om hem heen.

Het is verleidelijk Heesens voorkeur voor jongens in haar verhalen in verband te brengen met haar jeugd, waarin ze omringd was door broers. In een interview in deze krant (CS, 06.10.00) gaf ze zelf echter een andere verklaring: ,,Jongens groeien anders op dan meisjes. Autonomer. Ze betrekken dingen minder op zichzelf. Een meisje denkt steeds: wat voor indruk maak ik, wat vindt iedereen van mij. Jongens hebben meer de ruimte.''

Naarmate ze ouder worden eigenen ze zich die ruimte steeds meer toe. Een elfjarige staat volgens Heesen al `redelijk los' van zijn ouders, hij betrekt hen niet meer vanzelfsprekend bij alles wat hij onderneemt. Voor het titelpersonage in haar nieuwe boek Toen Faas niet thuiskwam geldt dat in extreme mate: over zijn doen en laten verkeert zijn familie in voortdurende onzekerheid. Het is een zonderling kind voor wie andere maatstaven gelden. Terwijl de ik-figuur, Faas' vier jaar oudere broer Peet, `altijd op de plek' moet zijn waar hij `hoort' te zijn, hoeft Faas dat niet. Hij is dan ook om de haverklap zoek.

Dat is begonnen toen hij acht was. Inmiddels is het drie jaar later en blikt Peet terug op die ene dag waarvan hij zich nog `elke minuut' herinnert. Faas was er weer eens zonder waarschuwing vandoor gegaan, midden in de nacht. `Om vier uur 's nachts hadden ze mijn broertje thuisgebracht.' Wie die `ze' zijn komen we niet te weten, net zomin als wat er in die onheilsnacht is gebeurd. `Zijn haar kleefde op zijn voorhoofd, zijn gezicht leek de snuit van een verhongerd beest, maar ik schrok vooral van zijn ogen: ze stonden nauw en dof en er lag een blauwig waas over. Hij keek langs me heen zonder te reageren.' Het is een typerend voorbeeld van Martha Heesens intrigerende vertelwijze, die meer suggereert dan onthult. Het mysterie van Faas blijft onopgehelderd.

Wat haar verhalen zo pakkend maakt is dat ze zich dikwijls afspelen op de grens van werkelijkheid en fantasie een droomwereld waar alleen haar hoofdpersonages toegang toe hebben. Ze leven in een zelfverkozen isolement, al dan niet met spoken uit het verleden. Neem Staf uit De vloek van Cornelia (1999). Hij is ervan overtuigd dat het lang geleden gestorven meisje Cornelia ronddwaalt in het oude huis waar hij net is komen wonen en hij smeekt haar, tevergeefs, hen met rust te laten. Ook voor Adam in de prachtige novelle De laatste jongen (1995) zijn de dode familieleden, die hij kent uit de verhalen van zijn grootmoeder, nog aanwezig in huis.

Anders dan deze jongens, die zich opsluiten op hun (zolder)kamer, trekt Faas eropuit. Hij wil kijken, verkennen en alles vastleggen in tekeningen. Faas' `maanogen' zien dingen die anderen niet zien. `Mijn moeder kon af en toe ook zo kijken, stralend en somber tegelijk [...]' Hoe ziet een muis of een vogel de dingen, peinst hij, en herkennen paarden hun spiegelbeeld in een regenplas: `Zouden ze zichzelf zien? Weten ze wel dat ze bestaan?' Het zijn vragen waar zijn nuchtere broer ongeduldig van wordt, ze geven hem het `vervelende gevoel' dat hij `geen hersens' heeft.

En toch, Faas mag dan een raadsel zijn voor Peet, hun relatie is op een onuitgesproken manier roerend hecht. Misschien is dat wel het mooiste: de stilzwijgende band – het heeft veel weg van een geheim verbond – die de hoofdpersoon heeft met iemand uit zijn omgeving. Dat kan een leeftijdgenootje zijn, een hogere macht of een (overleden) volwassene die in vertrouwen is genomen. Ondanks die vertrouwelijkheid zijn het relaties vol complexe, moeilijk benoembare (onlust)gevoelens waarin misverstanden voor vertroebeling zorgen en haat en liefde om de voorrang strijden.

Telkens blijkt dan hoe Heesen kinderen met groot inlevingsvermogen en psychologisch inzicht observeert. Een indrukwekkend staaltje daarvan geeft zij in het boek Mijn zusje is een monster (2000) waarin Stella gebukt gaat onder het tirannieke gedrag van haar kleine zusje en zich tegelijk verantwoordelijk voor haar voelt. Dat veranwoordelijkheidsbesef van de kinderen is een opvallend aspect in de boeken. Geregeld gedragen ze zich als de opvoeders van hun ouders die, hoe goedbedoelend ook, onzeker en weinig besluitvaardig zijn.

Die pijnlijke onmacht komt ook naar voren in Toen Faas niet thuiskwam. De ochtend na Faas' nachtelijke uitbraak gaan Peet en zijn vader de rommelzolder opruimen. Peet neemt daarbij de leiding; zijn vader kijkt voornamelijk afwezig naar de binnenkant van zijn handen. Zijn frustratie over het slechte contact met Faas heeft van hem een oude man gemaakt. Ze hebben nooit goed met elkaar kunnen praten, de jongen trok veel meer naar zijn moeder.

Er gebeurt op het oog niet veel in dit boek, maar met Peets innerlijk des te meer. Aan het eind van de dag doet hij met de moed der wanhoop een poging de twee bij elkaar te brengen. Met weinig woorden schept Martha Heesen een grote emotionele geladenheid. Ze is een schrijfster die we moeten koesteren – na drie Zilveren Griffels wordt het tijd voor goud.

Martha Heesen: Toen Faas niet thuis kwam. Querido, 84 blz. Vanaf 12 jaar. €11,50