Dromen over mist en regen

Van de bijna 100.000 geïnterneerden tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië hielden velen een dagboek bij. De juiste aantallen zijn niet bekend, maar het moeten er honderden, misschien duizenden zijn geweest. De mannen en vrouwen hielden een journaal bij om troost te vinden, getuigenis af te leggen van hun kommervolle omstandigheden, maar ze werkten ook in opdracht van elkaar: na de oorlog dienden de dagboeken als middel om de herinneringen levend te houden.

Historica Esther Captain (1969) heeft twaalf dagboeken, afkomstig uit de collectie van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en twee uit particulier bezit, geanalyseerd. Zes dagboeken werden geschreven door vrouwen, zes door mannen. In haar studie Achter het kawat was Nederland doet ze uitvoerig verslag van haar bevindingen. De dagboeken moesten tijdens de kamptijd geschreven zijn en mochten niet eerder zijn gepubliceerd. De verdeling naar sekse is, aldus Captain, noodzakelijk om een getrouw beeld te krijgen van de ervaringen van de geïnterneerden. Om de wetenschappelijke status van haar onderzoek te vergroten, koos ze voor drie representatieve gebieden waar zich de kampen bevonden: op Noord-Celebes/Sulawesi, Sumatra en Java.

Een tweede deel van Captains onderzoek bestrijkt de periode na de bevrijding tot in 1995. Hier zoekt ze meer naar de literaire getuigenis en naar memoires die wel zijn uitgegeven. Namen dienen zich aan als Elisabeth Keesing, Rudy Kousbroek, Jeroen Brouwers, A. Alberts. Een waardevolle visie ontwikkelt Captain op het boek Indië vaarwel (Den Haag, 1994) van Pans Schomper die welbewust geen literair boek schreef, maar een herinneringsboek van hoge documentaire en psychologische betekenis.

Captain komt tot interessante conclusies. Allereerst logenstraft ze het gemeengoed geworden idee dat de Nederlandse geïnterneerden na terugkeer altijd `gezwegen' hebben. Het zou een generatie mannen en vrouwen zijn die een afwerende houding aannam wanneer hun kinderen en familieleden vroegen naar de ervaringen van toen. Dat blijkt slechts ten dele waar. In elk geval uitten zij zich in de dagboeken en dat was niet zonder gevaar: de Jap had ten strengste verboden tekeningen te maken of een geschrift bij te houden. Bijzonder is ook de observatie dat de geïnterneerden droomden van Nederlandse mist en regen, polders, weilanden, de Zuiderzeedijk van Friesland. Het `kawat' uit de titel duidt op de gevlochten omheining van bamboematten, vaak verstevigd met prikkeldraad, die de kampen van de buitenwereld afsloot.

De vrouwen waren veel sterker dan de mannen, noteert Captain. De laatsten, die zich tijdens het werkende leven in Nederlands-Indië op de voorgrond hadden geplaatst, werden in gevangenschap in moreel opzicht zo gebroken, dat ze in apathie vervielen en zelfs de meest elementaire regels van zelfverzorging loslieten. De vrouwen, die de zorg hadden voor kleine kinderen, gedroegen zich krachtdadiger. Bevonden zij zich in de vooroorlogse samenleving op de achtergrond, nu traden ze naar voren.

Stemming

Captain hecht grote waarde aan de dagboeken, hoewel ze zich bewust is van het gevaar daarvan. In het standaardwerk De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog (Franeker, 1963) door Dora van Velden houdt deze schrijfster de dagboeken welbewust uit het corpus van haar onderzoek. Van Velden verantwoordt dat aldus: `Alle dagboeken, rapporten en verslagen over gevangenenkampen moeten kritisch gebruikt worden. Er moet rekening worden gehouden met de stemming, met het karakter, met het milieu van degene, die het rapport of verslag heeft opgesteld, het dagboek geschreven.' Het is een strenge eis die Van Velden stelt, en terecht. Vooral de `stemming' waarin iemand schrijft, vaak een sombere of melancholieke, tast de wetenschappelijke betrouwbaarheid aan. Al loopt Captain met haar methode meer risico dan Van Velden, ze komt tot bijzonderheden die ik niet eerder ben tegengekomen in studies over interneringskampen. Zo waren er bijvoorbeeld tal van liefdesverhoudingen tussen geïnterneerde vrouwen en jonge mannen en zelfs tussen de vrouwen en de Japanners. En in het hoofdstuk `Wegen tot God' beschrijft Captain hoe de gevangenen uit wanhoop of eenzaamheid zich richtten tot God, hoe moeizaam of nieuw dat voor de betrokkenen ook was. Eén van de vrouwen schrijft: `Ik kan me niet God voor me halen, als de God, die over ons waakt, die dit alles voor ons weer ten goede zal keren.' Ook aspecten als homoseksualiteit en humor komen aan de orde.

Tjalie Robinson

Het bezwaar van Achter het kawat was Nederland schuilt in de te brede optiek van Captain. Halverwege haar studie gaat het allang niet meer over de kampervaringen en hoe die doorwerken in iemands verdere leven, maar waaiert haar onderzoek naar alle kanten uit. Ze beschrijft de moeilijkheden die de Indische Nederlanders hadden zich in Nederland aan te passen. Onvermijdelijk komt de schrijver Tjalie Robinson op de voorgrond, een van de beste auteurs uit die naoorlogse periode. Maar Robinson wilde juist geen berustende aanpassing, zoals hij propageerde in zijn blad Tong-Tong. Hij verlangde van de groep die als `Indo's' te boek staat juist een groot Indisch zelfbewustzijn.

Captains conclusies zijn soms voorbarig, zoals over de polemiek tussen Rudy Kousbroek en Jeroen Brouwers naar aanleiding van Brouwers' roman Bezonken rood (1981). Er was meer aan de hand dan dat `de verdienste in de eerste plaats (was) dat kampherinneringen een plaats in het openbare debat verwierven'. De controverse tussen Kousbroek en Brouwers had een literaire inzet: hoe ver kan een romancier gaan bij de weergave van de werkelijkheid als een vertekende werkelijkheid, als een herinneringsbeeld dat noodzakelijkerwijs persoonlijk getint is?

Ook in de analyse van andere literaire werken is duidelijk dat Captains belangrijkste optiek ligt bij de psychologische verwerking van kampervaringen. In haar verantwoording stelt ze dan ook dat de naoorlogse samenleving door een psychologische en mentale cultuur wordt gekenmerkt. Die aandacht voor trauma en verwerking geldt zeker voor de handgeschreven dagboeken, voor literatuur gelden echter onmisbare aspecten als stijl, vormgeving, compositie. De grootste waarde van Achter het kawat was Nederland ligt in de aandacht voor de kampdagboeken; daar had Esther Captain zich op moeten concentreren. Uiteindelijk had ik dan nog meer willen weten en het liefst ook met uitvoeriger citaten. Door de te grote greep en te veel zijdelingse lijnen raakt de inzet van Captains studie helaas gaandeweg uit het zicht.

Esther Captain: Achter het kawat was Nederland. Indische oorlogservaringen en -herinneringen 1942-1995. Kok, 444 blz. €29,90