Britse aanpak corruptie kan voorbeeld zijn

Nederland doet te weinig aan bestrijding van corruptie. Volgens een werkgroep van de Europese Raad lijkt het hierdoor alsof er in Nederland nooit sprake van corruptie is. Andere landen geven het goede voorbeeld.

Transparency International (TI), een non-gouvernementele organisatie, publiceert jaarlijks een ranglijst van landen die het minst gevoelig zijn voor corruptie. Vorig jaar nam Nederland een zesde plaats in, samen met Canada en Luxemburg. Finland staat bovenaan, gevolgd door Denemarken, Nieuw Zeeland en IJsland. Singapore en Zweden delen een gezamenlijke vijfde plaats.

Nederland staat al jaren hoog op deze `integriteitslijst'. Landen als Groot-Brittannië, Australië, Noorwegen, Duitsland, België en Frankrijk scoren beduidend lager. Maar het is de vraag of Nederland zijn hoge positie behoudt. Volgens de Groupe of States against Corruption (Greco), een werkgroep van de Raad van Europa die onlangs het Nederlandse anticorruptiebeleid heeft geëvalueerd, heeft de Nederlandse overheid tot nu toe weinig aandacht geschonken aan het fenomeen corruptie. Een betere opsporing en registratie zou meer fraude aan het licht kunnen brengen.

Daar komt bij dat de `integriteitsscore' van Nederland door de bouwfraude flink is gedaald, zo staat in de Greco-evaluatie. De parlementaire enquêtecommissie bouwnijverheid legde vorig jaar een tot dan toe onbekende cultuur van `smeren en fêteren' bloot. Ambtenaren lieten zich door de bouwwereld trakteren op buitenlandse reisjes, relatiegeschenken, bordeelbezoeken en dure etentjes, zo bleek.

Het is aannemelijk dat dit gevolgen zal hebben voor de positie van Nederland op de TI-ranglijst. Tijdens het Greco-onderzoek schetsten Nederlandse overheidsinstanties het beeld van een land waar corruptie geen groot probleem is. Maar volgens de werkgroep zijn er signalen dat de corruptiegevoeligheid juist aanzienlijk is toegenomen. Greco verwijst naar strafrechtelijke onderzoeken in de bouwsector. In gesprekken met de Nederlandse afdeling van TI werd Greco duidelijk dat ,,de huidige positie van Nederland niet overeenkomt met de werkelijkheid''.

Onderzoek van Greco naar het anticorruptiebeleid in andere Europese landen wijst uit dat het Nederlandse beleid achterloopt bij dat van bijvoorbeeld Denemarken, de nummer twee op de ranglijst. Denemarken kent, in tegenstelling tot Nederland, een centraal register van corruptiepraktijken, zo blijkt uit het vorig jaar juli uitgebrachte Greco-onderzoek. In de twee jaar daarvoor werd er door de Deense justitie zelf slechts één serieus onderzoek naar grootschalige corruptie gedaan. Daarbij werden slechts eenvoudige gevallen van omkoping geregistreerd, meestal dronken automobilisten die hadden geprobeerd om na aanhouding onder boetes uit te komen. Greco waarschuwde vorig jaar dat corruptie in Denemarken zo weinig voorkomt, dat het land het risico van onachtzaamheid loopt.

Ook Groot-Brittannië, negende op de TI-ranglijst, kon Greco in 2001 geen centraal corruptieregister overhandigen. De werkgroep moest het doen met de verzekering dat het aantal veroordelingen tussen 1993 en 1999 laag was. In 1999 ging het in het totaal om tien veroordelingen. Noord-Ierland heeft sinds 1987 een speciaal fraudebureau, de Serious Fraud Office. Dit bureau werkt onafhankelijk en heeft speciale bevoegdheden bij de opsporing van corruptie. Er werken 150 mensen, onder wie juristen, financiële specialisten, informaticadeskundigen en oud-politiefunctionarissen. In haar evaluatie schreef Greco onder de indruk te zijn van de agressieve wijze waarop corruptie in Groot-Brittannië wordt aangepakt.

Dat Frankrijk laag op de TI-ranglijst staat (nummer 25), komt vooral door politieke corruptie. Tot 1995 ontbrak het in de Franse politiek aan consensus om politiek protectionisme, partijfinanciering en verkiezingsdonaties eenduidig af te wijzen, zo staat in de Greco-evaluatie. De grote corruptieschandalen uit de jaren tachtig hebben in de jaren daarna geleid tot aanzienlijke aanscherping van het anticorruptiebeleid. Franse rechtbanken hebben sinds 1994 speciale kamers voor de berechting van economische en financiële delicten. Deze expertise wordt sinds 1999 ook gebruikt bij het bestrijden van corruptie.

In Frankrijk, aldus Greco, kan de overheid in toenemende mate rekenen op medewerking van het bedrijfsleven bij de opsporing van corruptie. Maar in Nederland bestaat bij het bedrijfsleven scepsis over de slagkracht van politie en justitie om corruptie aan te pakken. Deze slagkracht moet volgens Greco verbeteren door capaciteitsuitbreiding van het openbaar ministerie en betere samenwerking met andere opsporingsinstanties als de FIOD.

Minister Donner van Justitie moet binnen achttien maanden rapporteren over de manier waarop de aanbevelingen van de Greco-groep zijn uitgevoerd. Alle lidstaten die zijn toegetreden tot Greco hebben zich tot zo'n rapportage verplicht.