Bent u echt joods?

Ida Vos (71) schreef acht kinderboeken over de oorlog. Met scholieren praat ze over onderduiken en hoe het voelt om een davidster te dragen.

Dit is een doorsnee Amsterdamse schoolklas: ruim dertig kinderen, vier van hen Nederlands en wit, de rest meest Turks en Marokkaans. Ze zijn allemaal rond de elf. De bibliotheek waar ze op bezoek zijn is op dit moment gesloten. De kinderen zitten in een kring, de boekenkasten staan als muren om hen heen. Hun hoofd zit ook vol boeken. Vol met de boeken van Ida Vos, de kinderboekenschrijfster die nu voor hen staat.

In de Tweede Wereldoorlog moest Ida Vos onderduiken omdat ze joods was. Meer dan twintig jaar geleden schreef ze haar eerste boek, Wie niet weg is wordt gezien, en daarna nog zeven kinderboeken. Bijna allemaal gaan ze over kinderen die moeten onderduiken. Kinderen vinden die boeken fantastisch, al twintig jaar.

Ook in deze klas hebben alle kinderen ten minste één boek van haar gelezen maar veel van hen ook twee en sommigen zelfs drie of vier. Ze hebben allemaal een vraag opgeschreven. De papiertjes houden ze stevig in hun hand. Voor straks.

,,Die vragen'', zegt Ida Vos als ze begint, ,,leg die nog maar even onder je stoel. Eerst gaan we over de oorlog praten. Er is er nu ook een, dat is heel erg. Maar het ergste is het altijd voor de kinderen. In mijn boeken kun je lezen hoe het gaat met kinderen die in een oorlog zitten. Hoe bang je bent en ook hoe erg het is om niets meer van jezelf te hebben. Mijn boeken gaan over kinderen in die andere oorlog, de Tweede Wereldoorlog. Over joodse kinderen.''

,,Waarom heeft u erover geschreven'', vraagt een Marokkaans meisje, ,,en waarom zoveel?'' Wat denken de andere kinderen, vraagt Ida Vos. Een Turkse jongen steekt zijn vinger op. ,,Misschien om u te uiten?'' ,,Ja'', zegt Ida Vos, ,,om te vertellen hoe het voelt. Er zijn zoveel boeken over hoe het was en maar zo weinig over hoe het voelt.''

In haar boeken vertelt Ida Vos steeds haar eigen verhaal. Hoe de Duitsers Nederland binnenkwamen, bijvoorbeeld. Dat is als een filmpje in haar hoofd, zegt ze. Met de geluiden. De ijzeren stukjes onder de laarzen van de soldaten die zo naar klonken op de straatstenen. Hoe bang haar moeder was. Dat er toch mensen waren die juichten.

,,Wij werden gepest'', vertelt ze. ,,Wij mochten niet naar een gewone school, niet in het openbaar vervoer, niet op de bankjes in het park en later helemaal niet meer in het park. Alleen boodschappen doen tussen 3 en 5 en dan was alles meestal al op. En als je dat niet deed, wat was dan de straf?'' De kinderen weten het uit haar boeken: ,,Dan werden je ouders misschien wel opgepakt.'' ,,Kinderen die dat hebben meegemaakt denken soms hun hele leven `mag ik dat wel?''', zegt Ida Vos. Zij denkt het nog steeds. Terwijl ze toch al zo oud is.

Ze heeft een dik blauw boek bij zich, het `herinneringsboek'. Daar haalt ze iets geels uit. De kinderen weten het al: een jodenster. ,,Die ster moest altijd op'', vertelt ze, ,,op je jas maar ook nog eens op je jurk.'' Zij wilde hem ook op haar pyjama. Ze was altijd bang, bang dat ze zonder ster achter het raam gezien zou worden. En dat haar ouders dan opgepakt zouden worden. Ze legt uit hoe de ster uit de stof geknipt moest worden: via een stippellijn, zodat een dikke gele rand er nog eens extra omheen zou zitten en hij nog meer zou opvallen. En ook dat hij altijd helemaal vastgenaaid moest zitten. Een speldje mocht niet.

,,Is er iemand die de ster durft op te doen?'' vraagt Ida Vos. Een Surinaams meisje durft wel. Op haar joggingpak wordt de ster gespeld. ,,Hoe voelt dat?'' vraagt Ida Vos. ,,Erg'', zegt het meisje. Ze staat er verlegen bij. Maar, vraagt ineens een Marokkaans meisje, joden dragen nu toch ook vaak sterren? Aan een kettinkje en zo? Wat was er dan eigenlijk erg aan? ,,Dat het moest'', zegt Ida Vos.

Dan haalt ze nog iets uit haar herinneringsboek. Het is een foto van haar joodse klas. Ze leest een gedicht voor dat zij over de foto heeft gemaakt. `Klassefoto 1942', heet het. Maar vier van de 35 kinderen zijn niet door de Duitsers gedood, daar gaat het over. De kinderen geven de foto voorzichtig aan elkaar door.

Nu mogen de kinderen de vragen stellen die ze thuis hebben opgeschreven: Waarom noemt u uzelf in de boeken niet bij uw echte naam? Hoe heetten die andere personen allemaal in het echt? U mocht als onderduikster altijd maar twee boeken bij u hebben. Hebt u die nog? Bent u nog wel eens terug geweest op die joodse school? Waarom zijn al uw titels uit kinderliedjes? Waar gaat uw volgende boek over?

Ida Vos heeft zelf ook nog een vraag: ,,Wat vinden jullie, bestaat er in Nederland nu nog discriminatie?'' Een Marokkaans meisje steekt haar hand op. Ze heeft al vaker wat gezegd. ,,Een beetje'', vindt ze, ,,niet echt.''

,,Maar wat moet je doen als je ziet dat er toch gediscrimineerd wordt?'' Ida Vos vraagt het en geeft dit keer zelf het antwoord: ,,Niet zwijgen, niet weglopen. Zelfs als het alleen maar een mop is. Want met een mop kan het beginnen.''

Dan is de tijd op en gaat iedereen weg. Ook die ene Turkse jongen die het voor de zekerheid toch nog maar zelf gevraagd had: ,,Bent u echt joods?'' ,,Ja heus'', heeft Ida Vos hem geantwoord, ,,maar nu vind ik het niet meer erg.''

Zie ook: www.idavos.nl