Staatssteun in EU blijft `verstorend'

De staatssteun in de Europese Unie is in de periode 1997-2001 gedaald van 102 miljard tot 86 miljard euro. Eurocommissaris Mario Monti (Mededinging) toonde zich gisteren gematigd tevreden. ,,Het systeem van controle op staatssteun heeft een zeer gezonde discipline aan de vijftien lidstaten opgelegd'', zei hij.

Toch heeft de huidige omvang van de staatssteun volgens Monti nog steeds een ,,aanzienlijk verstorend effect'' op de concurrentieverhoudingen in de interne Europese markt. In 2001 vertoonde de staatssteun een zeer lichte stijging van 85,2 naar 86 miljard euro.

Tussen 1997 en 2001 daalde de staatssteun vooral in de industrie, steenkool, en de dienstensector. In 2001 nam overheidssteun voor de spoorwegen aanzienlijk toe. Verreweg de meeste staatssteun gaat naar de landbouw, wat past in het Europese landbouwbeleid.

Volgens Monti is een aantal lidstaten ,,op de goede weg'' door staatssteun minder een specifieke bestemming te geven, maar meer te richten op algemene doelstellingen als milieu, onderzoek & ontwikkeling, stimulering van midden- en kleinbedrijf en werkgelegenheid. De Eurocommissaris verwees naar de belofte van de EU-regeringsleiders op de top van Stockholm in 2001 om het totaal aan staatssteun te verminderen en meer op algemene doelen te richten.

Monti onderstreepte gisteren dat de Commissie meer prioriteit gaat geven aan de terugvordering van illegale staatssteun die de concurrentieverhoudingen verstoort. In 2002 had de Commissie ongeveer duizend staatssteunzaken in onderzoek. Van alle besluiten over staatssteun viel 7 procent negatief uit. In 2001 bedroeg de staatssteun in de EU gemiddeld 0,99 procent van het bbp, waarbij Nederland op 0,98 procent uitkwam. Groot-Brittannië gaf met 0,66 procent de minste staatssteun.