Schade Iraaks museum lijkt mee te vallen

Tijdens een conferentie in Londen werd deze week een eerste lijst opgesteld met gestolen en vernielde voorwerpen uit het Nationale Museum van Irak. De schade lijkt minder erg dan werd gedacht.

De schade die na de val van Bagdad werd toegebracht aan de kunstschatten in het Nationale Museum van Irak lijkt minder erg dan aanvankelijk werd gemeld. Volgens de New York Times zijn inmiddels enkele honderden van de duizenden kunstvoorwerpen die door plunderaars uit het museum werden gestolen weer teruggebracht. Het gaat hierbij om kleinere voorwerpen die zouden zijn meegenomen om ze voor diefstal en vernieling te behoeden. Sommige van deze kunstwerken bleken echter geen originelen te zijn maar kopieën uit winkels in Bagdad.

Het Nationale Museum bezat met meer dan 170.000 archeologische voorwerpen de grootste verzameling Mesopotamische kunst ter wereld. Sommige van de meest waardevolle objecten waren ondergebracht in de ondergrondse museumdepots. Deze zijn ongedeerd gebleven. Andere kostbare voorwerpen waren voor de oorlog al opgeslagen in kluizen van de Centrale Bank in Bagdad. Hoewel de bank werd gebombardeerd is er toch goede hoop dat de kluizen niet beschadigd zijn.

De precieze omvang van de kunstroof blijkt moeilijk vast te stellen door de gebrekkige inventarisatie van het museum. Tijdens een conferentie in het British Museum in Londen werd dinsdag een noodplan opgesteld om de schade nauwkeurig in kaart te brengen en zoveel mogelijk te beperken, onder andere door maatregelen die smokkel en illegale handel moeten voorkomen. Volgens het plan moeten binnen zes maanden zoveel mogelijk van de gestolen kunstvoorwerpen zijn teruggevonden. Er werd een beroep gedaan op de Amerikaans-Britse coalitie voor een veel strengere controle bij de grenzen van Irak. Bij de conferentie waren experts uit verschillende internationale musea, archeologen en een vertegenwoordiging van de Unesco aanwezig. Er werd hevige kritiek geuit op de Amerikaanse soldaten in Bagdad die met de armen over elkaar stonden toe te kijken terwijl het museum ten prooi viel aan de plunderaars.

Aan het Nationale Museum in Bagdad werd op de conferentie steun toegezegd bij de restauratie van beschadigde kunstvoorwerpen. Ook werd een lijst opgesteld van twintig van de meest belangrijke vernielde of gestolen archeologische museumstukken. Op deze lijst staat ondermeer de beroemde Lier van Ur die zwaar beschadigd werd, de Sumerische vaas van Warka uit 3100 voor Christus, een serie Romeinse beelden uit de Parthische stad Hatra, het beeld van koning Entemena van Lagash uit 2400 voor Christus en de ivoren Leeuw van Nimrud (850 voor Christus), een van de meest waardevolle objecten van het Nationale Museum in Bagdad.

Een vertegenwoordiger van de Unesco kondigde tijdens de conferentie aan met Kofi Annan, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de mogelijkheid te zullen onderzoeken van een tijdelijk embargo op alle handel in Iraakse kunst op de internationale markt.