`Politici maken privacy belachelijk'

Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) maakt zich ernstige zorgen over de negatieve houding die vorig jaar in de politiek is ontstaan tegenover bescherming van de privacy. In zijn jaarverslag over 2002 schrijft het college dat verscheidene bestuurders en politici vorig jaar in de discussie over veiligheid een ,,karikatuur'' hebben gemaakt van de privacywetgeving.

Als voorbeeld verwijst een woordvoerster van het CBP naar burgemeester Opstelten van Rotterdam. Deze noemde de privacywetgeving in oktober ,,een hinderlijke barrière'' voor het aanpakken van verslaafden die overlast geven. Hij pleitte ervoor de wet zo aan te passen dat justitie makkelijker over gegevens van de zorginstellingen kan beschikken. Ook zouden hulpverleners toegang moeten krijgen tot politiegegevens.

Het is opmerkelijk dat het CBP zich kritisch uitlaat over de toon van de politieke discussie over veiligheid. Normaliter houdt het college vooral toezicht op de naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens. In de Haagse politiek waren vorig jaar veel kritische geluiden over de privacywetgeving. Het kabinet stelde in november voor een algemene identificatieplicht in te voeren voor burgers. Daarnaast zouden alle telecommunicatiegevens van iedereen langdurig bewaard moeten worden. De politie zou toestemming moeten krijgen om databestanden aan te leggen met informatie over burgers die niet worden verdacht van strafbare feiten.

Het college betreurt deze ,,gemakzuchtige vlucht'' in uitbreiding van bevoegdheden. Volgens het CBP biedt de bestaande wetgeving al voldoende mogelijkheden om de veiligheid van burgers te beschermen, maar deze worden niet volledig benut. Het CBP adviseerde dan ook negatief over de algemene identificatieplicht.