Nederland te weinig attent op corruptie

Opsporingsinstanties in Nederland hebben te weinig capaciteit voor de opsporing van corruptie. Nederland moet zijn anticorruptiebeleid aanscherpen.

Dat stelt de Groupe of States against Corruption (Greco), een werkgroep van de Raad van Europa, in een evaluatie van het Nederlandse anticorruptiebeleid. De werkgroep doet permanent onderzoek naar het integriteitsbeleid van de 45 landen die zijn aangesloten bij de raad. De evaluatie van de werkgroep wordt binnenkort door minister Donner (Justitie) aangeboden aan de Tweede Kamer.

Op basis van de tot nu toe bekende gegevens behoort Nederland tot de groep onderzochte landen die het minst door corruptie is aangetast. Dat positieve imago van Nederland als onkreukbaar land correspondeert mogelijk niet met de werkelijkheid, zo blijkt uit de evaluatie.

In gesprekken die Greco had met de overheid kwam het beeld naar voren dat corruptie in Nederland geen structureel probleem is. Maar Greco heeft ook aanwijzingen dat corruptie wijder verbreid is dan de officiële instanties weten. Het fenomeen corruptie heeft weinig aandacht gekregen van de overheid, concludeert de werkgroep. De Greco-werkgroep baseert zich op gesprekken met vertegenwoordigers van departementen, rijksrecherche, politie, FIOD en bedrijfsleven.

Het ontbreekt, volgens de werkgroep, aan betrouwbare statistieken en analyses over corruptiezaken die de politie in behandeling heeft gehad. Greco verwijst naar gesprekken met de Nederlandse afdeling van Transparency International en naar de uitkomst van de recente bouwenquête. Daaruit bleek dat niet-integer gedrag in de bouwsector een `normal way of life' is.

Volgens Greco besteden politie, rijksrecherche en FIOD te weinig aandacht aan opsporing van corruptie. Greco maakt zich met name zorgen over de scepsis bij het bedrijfsleven over het vermogen van de overheid om corruptie in die sector bloot te leggen.

Het wantrouwen in de verhouding tussen opsporingsdiensten en bedrijfsleven vormt, volgens de werkgroep, een obstakel voor goed onderzoek naar corruptie in het bedrijfsleven waarbij overheidsfunctionarissen betrokken zijn.

Die scepsis leidt er toe dat bedrijven forensische accountants inzetten. Daardoor worden corruptiezaken intern afgedaan zonder dat opsporingsdiensten weten wat er gaande is.

Ook de samenwerking tussen de opsporingsdiensten onderling moet aanzienlijk verbeteren, stelt Greco. Bovendien moet de capaciteit van het openbaar ministerie (OM) voor corruptieonderzoek worden uitgebreid en gespecialiseerd.

Vaak wordt bij ogenschijnlijk kleine zaken, bij gebrek aan mankracht, afgezien van vervolging, zonder de zekerheid dat het niet gaat om het `topje van de ijsberg'.