Minimumstraf goed voor rechtsgevoel

In hun artikel `Minimumstraffen zijn geen panacee' laken de rechters Hermans en Wedzinga het LPF-initiatief wetsvoorstel tot invoering van minimumstraffen voor bepaalde geweldsdelicten (Opiniepagina, 15 april).

In Nederland wordt de rechtsorde bij een delict vaak driemaal geschokt, de eerste keer bij de daad zelf, de tweede keer bij het opleggen van de vaak in de ogen van het grote publiek zeer milde straf en de derde keer bij de vervroegde invrijheidsstelling. Oog hebben voor de realiteit wordt door Hermans en Wedzinga `waan van de dag' genoemd. Zij stellen dat de LPF geen monopolie heeft op het `feilloos' peilen van wat onder de burgers leeft. Dat pretendeert de LPF ook helemaal niet.

Net zoals bij maximumstraffen, wordt bij een minimumstraf de ernst van het delict tot uitdrukking gebracht. Anders dan Hermans en Wedzinga lijken te suggereren, wordt niet de bovenkant van de strafmaat door de LPF ter discussie gesteld, maar de onderkant. Zij wijzen op rechtsvergelijkend onderzoek, maar dat richt zich slechts op de gemiddelde hoogte van straffen, of op de maximumstraffen.

Volgens de schrijvers tast het wetsvoorstel de fundamenten van onze strafrechtspleging aan en spreekt er een `ongemotiveerd wantrouwen' ten opzichte van de rechter uit. Dat is onjuist. De LPF onderschrijft dat het recht op behoorlijke rechtspraak meebrengt dat de vaststelling van de normovertreding door de rechter geschiedt én dat deze voldoende ruimte krijgt bij de bepaling van de op te leggen sanctie. De hamvraag is echter: wat is voldoende? De bestaande vrijheid van de rechter bij het bepalen van de op te leggen straf is al gebonden, zij het door een maximum. Ligt het dan niet in de rede om te veronderstellen dat er voldoende ruimte over blijft, zelfs als die ruimte aan de onderkant wordt beperkt door een minimum? Dan is de hoogte van het minimum een punt van discussie en niet het minimum zélf. Minimumstraffen laten de zelfstandige vaststelling van de normovertreding door de rechter onverlet en laten de rechter voldoende ruimte om tot een gepaste straf te komen.

Het ijkpunt van strafrechtspleging moet zijn een voldoende vergelding voor het vergrijp alsmede bescherming van de maatschappij, zodat de burger het gevoel heeft dat het recht zijn loop heeft gehad. Hogere (gevangenis-)straffen scheppen wel degelijk een veiliger maatschappelijk klimaat. Het LPF-voorstel betreft geweldsdelicten omdat deze delicten een levensgrote impact hebben op het slachtoffer.

Terecht signaleren de raadsheren dat een bij velen bestaand gevoel van onveiligheid heeft geleid tot de wens om te komen tot een effectieve en daadkrachtige strafrechtshandhaving. Zij zijn van mening dat zulks bereikt kan worden door het vergroten van de pakkans en de verhoging van de doorloopsnelheid van strafzaken. Voorts erkennen zij dat de gedachte dat rechters te laag straffen bij menigeen weerklank vindt. Zélfs vinden zij dat rechters niet doof moeten zijn voor dergelijke geluiden. Echter, hier stokt hun betoog. Op welke manier moeten rechters dan wél tonen dat zij oog voor de maatschappelijke realiteit hebben? Indien zij bedoelen dat men zwaarder zou moeten straffen moet er rekening mee gehouden worden dat dit besef bij de ene rechter eerder, en wellicht ook in andere mate, zal doordringen dan bij de andere. Hier komt de rechtsgelijkheid in het geding. Het is onaanvaardbaar indien tussen de gerechten grote verschillen in strafmaat optreden. Minimumstraffen zullen ongetwijfeld bevorderen dat een meer gelijkmatige bestraffing plaats vindt.

Drs. B.J. Eerdmans is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de LPF-fractie. Mr. H.A. Schuurman is werkzaam voor deze fractie.