Krenek

Ernst Krenek (1900-1991), geboren in Wenen en enige tijd gehuwd met Mahlers dochter Anna, zocht het niet in zwier. Hij was cerebraal, groot met zijn hoofd en vooral technisch tot alles in staat.

In Berlijn schreef hij in 1921 – als rebelse leerling van Schreker – zijn Eerste strijkkwartet. Het is achtdelig en een beetje kortademig, maar zit tjokvol uit de tonaliteit barstende contrapuntische geleerdheid, fugatische hoogstandjes en chromatiek, ook op de naam B-A-C-H. Toch klapt de muziek regelmatig emotioneel naar buiten – met kracht drijft zijn geslepen pen de jonge componist voort.

Hitler deed Krenek in de ban en de componist week uit naar de Verenigde Staten, waar hij een der hotemetoten werd van de moderne muziek. In 1944 schreef hij in St. Paul zijn Zevende strijkkwartet, deze keer in vijf delen, die zonder onderbrekingen in elkaar overgaan. Kreneks verbluffende techniek scoort hier vooral op de punten gemak en gaafheid. In het midden van alle – inmiddels dodecafonische – vertoon ligt een fuga met drie thema's, die zo helder rikketikt als een raderwerkje van glas.

Het Petersenkwartet uit Berlijn speelt Kreneks Eerste strijkkwartet met roodgloeiende expressie en het Zevende met grote, in het idioom verankerde, innerlijke liefde. Dit is werkelijk intelligent musiceren.

Krenek: Strijkkwartetten 1 & 7, Petersenkwartet (Capriccio CAP 67 015)