`Invoering van districtenstelsel alléén is een lege huls'

CDA, VVD en D66 willen een districtenstelsel invoeren. ,,Dat heeft alleen zin als een volksvertegenwoordiger van de fractie- en partijlijn af mag wijken.''

De staatscommissie voor evenredig kiesrecht van 1913, die de grondwetswijziging en de wijziging van de kieswet in 1918 voorbereidde, wist het al: als de kandidaatstelling voor de Tweede Kamer geheel in handen van de partijbesturen ligt, zal dat leiden ,,tot sterker centralisatie dan gewenscht is''. Invoering van een gemengd districtenstelsel – zoals CDA, VVD en D66 dat in de kabinetsformatie hebben afgesproken – heeft alleen zin als de partijleden in de districten ook invloed krijgen op wie er in het district kandidaat staat, en hoe hij zijn taak vervult. Dat zegt de Nijmeegse historicus Jasper Loots, die over de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging, in 1918, een dissertatie in voorbereiding heeft.

,,Ik vraag me sterk af of de besturen van Nederlandse politieke partijen dat wel echt van plan zijn'', zegt Loots. Met de invoering van een `gemengd districtenstelsel' wordt nu kennelijk beoogd het democratisch mandaat van een gekozen volksvertegenwoordiger te versterken. Maar dat blijft een lege huls wanneer een gekozene niet tevens de gelegenheid krijgt van de fractie- en partijlijn af te wijken. ,,Ik zie dat nog niet zo gemakkelijk gebeuren: in ons veel-partijenstelsel is zonder fractiedwang geen kabinet te formeren''.

Als het er alleen om gaat Kamerleden door regionale binding meer `gezicht' te geven, dan lijkt dat Loots een beetje overdreven ,,in deze tijd van telefoon en internet. De afstand tussen kiezer en gekozene kan niet alleen maar worden verkleind door de kandidaat met folders door een straat te laten lopen. Er verandert pas iets als de partijleden in de districten invloed kunnen uitoefenen op de keuze van kandidaten, en het partijprogramma.''

Maar dat zou ingaan tegen de algemene tendens in de Nederlandse partijpolitiek, sinds in 1918 onder de liberale premier P. Cort van der Linden het stelsel van evenredige vertegenwoordiging werd ingevoerd. Overeenkomstig de aanbevelingen van de staatscommissie van 1913 werd bij de invoering van de evenredige vertegenwoordiging de bepaling in de Kieswet opgenomen dat per partij slechts de eerste tien kandidaten van de lijst in het hele land kandidaat mochten staan. Daaronder kwamen regionale. Maar vanaf het prille begin van de evenredige vertegenwoordiging ,,hebben partijbesturen niets nagelaten om de macht naar zich toe te trekken'', zegt Loots. Het wettelijk maximum van landelijke kandidaten werd opgetrokken van tien naar twintig naar dertig en ten slotte geheel losgelaten.

Alleen Leefbaar Nederland en LPF maakten bij de verkiezingen van mei 2002 nog uitvoerig gebruik van de facultatieve mogelijkheid in elk der (inmiddels negentien) kiesdistricten met aparte kandidaten te komen. Andere partijen streven weliswaar naar een zekere regionale spreiding van kandidaten, maar dat is meestal in handen van het partijbestuur, of een commissie.

De centralisatie van de interne kandidaatstelling is de afgelopen jaren bij de partijen nog versterkt, meent de Groningse politicoloog Gerrit Voerman. ,,Ik vraag me trouwens af hoe groot de belangstelling van partijleden voor de kandidaatstelling nog is, als je ziet dat bij D66 maar een derde van de leden deelneemt aan de interne stemming voor de kandidatenlijst.''

De Partij van de Arbeid nam in de jaren tachtig afscheid van de interne gewestelijke kandidaatstelling, mede omdat deze tot voortdurende vleugelstrijd leidde. Bij de VVD was de verjonging van de Kamerfractie in januari van dit jaar niet mogelijk geweest, wanneer de gewestelijke Kamercentrales hun zin hadden gekregen: die probeerden hun vertrouwde gezichten hoger op de lijst te krijgen.

In zoverre als districten in de toekomst een rol gaan spelen bij de kandidaatstelling zal het voor politieke partijen moeilijker worden om hun lijst een maatschappelijke afspiegeling te laten zijn. Nu zorgen de grote partijen voor bepaalde quota allochtonen, vrouwen, of een bepaalde variatie in beroepsgroepen. Bij een districtensysteem hangt het er helemaal vanaf wie regionaal het populairst is. Voor het CDA zou de invoering van een gemengd districtenstelsel kunnen leiden tot een versterking van het katholieke element in de partij. Het Zuiden zal immers over het algemeen katholieke CDA-kandidaten naar voren schuiven, die op grote regionale kiezerssteun kunnen rekenen. Protestanten zijn veel minder compact regionaal woonachtig.

Dat het stelsel van evenredige vertegenwoordiging bevorderlijk werkt op de stroomlijning van partijorganisaties is historisch niet toevallig: het ging er in 1918 de `kleine luyden', socialisten en katholieken juist om dat hun parlementariërs een rol zouden spelen in politieke en ideologische machtsvorming door een stroming, en minder voor regionale belangen of inzichten zouden staan. Vanaf het begin onderkend nadeel: het systeem leidt tot véél partijen in de Kamer (zeventien in 1918, tegen zeven in 1913). Het oude systeem met honderd districten leidde daarentegen reeds in de verkiezingsstrijd tot blokvorming, omdat partijen onderling afspraken maakten wiens kandidaat ze in de tweede ronde steunden. Maar juist aan het nadeel van veel partijen willen CDA, VVD en D66 met hun `gemengde' ideeën nu niet tornen.