`Ik schrijf de waarheid'

In zijn debuut `De hand, de kaars & de mot' zijn veel sporen van de werkelijkheid terug te vinden, zegt Rob van der Linden. Maar de plot is verzonnen. Met zijn boek maakt Van der Linden volgende week woensdag kans op de Libris prijs.

Rob van der Linden (1957) is los! Nooit eerder schreef hij een literaire tekst, maar vorig najaar debuteerde hij met De hand, de kaars & de mot (Meulenhoff), en inmiddels staat zijn derde roman al in de steigers. Bovendien schreef hij tussendoor nog een libretto. Zijn eersteling ontving veel lof en is genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. ,,Ik ben al zo blij met die nominatie, dat ik het niet erg vind als een van de anderen 'm gaat winnen.''

In de tuin van zijn woning in Haarlem-Noord – ,,Ik ben verknocht aan deze stad'' – steekt Van der Linden een sigaartje op. De schrijver, donkere kleding, donker sjaaltje, heeft met De hand, de kaars & de mot een kloek debuut geschreven (300 pagina's). De ondertitel luidt `een familiegeschiedenis met valse profeten'. Het boek is een legpuzzel met vijf verhaallijnen en tientallen personages, waarvan afkomstig uit de families Bender en Van der Kleij. De verteller, Pieter van der Kleij, schrijft in de Israëlische woestijn een dagboek om zijn herinneringen een plaats te geven. Centraal staat de driehoeksverhouding tussen Pieters vader, zijn moeder en Manus, een profeet die de wegbereider hoopt te zijn van de nieuwe Messias.

De werkelijkheid heeft veel sporen nagelaten in Van der Lindens debuut. ,,Het decor bestaat echt, zoals bijvoorbeeld een herenhuis aan de Hoflaan in Haarlem, waarover ik schrijf. De meeste personages bestaan ook, de plots zijn goeddeels verzonnen.'' Het verhaal is bovendien sterk gestoeld op zijn eigen familiegeschiedenis. ,,Zelfs tante Jo, een vrouw die na zonsondergang verandert in een zeemeermin, bestaat. Zij is een aristocratische vrouw die 's nachts totaal anders is dan overdag.''

Van der Linden ondervroeg zijn familieleden over het verleden. ,,Ik ben heel dicht bij die mensen gekomen, daarom vind ik dat ik voorzichtig met hun verhalen moet omgaan. Ik heb ze laten lezen hoe ik hun karikaturen heb neergezet. Al mijn personages zijn mensen van goede wil, niemand staat op met het idee om er een potje van te maken. Dat respect voor de eigen personages zie ik ook bij Leon de Winter, die ik daarom bewonder.''

Tussen het leven van de schrijver en dat van verteller Pieter van der Kleij in de roman bestaan ook veel parallellen. ,,Het is een understatement om te zeggen dat Pieter op mij lijkt'', zegt Van der Linden. ,,Maar doet dat ertoe? Het verhaal dat ik heb geschreven is nu de waarheid. Bij het creëren van een eigen werkelijkheid hoort dat ik waargebeurde zaken mix met dingen die ik verzin. Ik noem dat silent fiction.''

De hand, de kaars & de mot bevat fantastische elementen. Behalve de tante die soms zeemeermin is, vliegen twee van zijn ooms vijftig jaar rond de aarde, om de wisseling van de dagen voor te blijven. Hierdoor werd Van der Linden in recensies vergeleken met Gabriel García Márquez. ,,Ik ben daarna iets van hem gaan lezen, en het was een schok. Een zigeuner die met een magneet door een dorp loopt, en zo alle spijkertjes uit de muren trekt. Na een hoofdstuk heb ik het boek weer weggelegd. Dit kwam te dichtbij.''

Hoe komt Van der Linden er eigenlijk toe om fantastische elementen in zijn roman te verwerken? ,,Ik vind het heel leuk om van bestaande dingen wonderlijke dingen te maken. Als jongste in een gezin luisterde ik naar de verhalen. Omdat ik zelf niet snel aan het woord kwam, maakte ik mijn eigen verhalen interessanter. Het is een soort visserslatijn, of schrijverslatijn.'' In het boek wordt beschreven hoe een jonge Pieter zijn klasgenootjes vertelt dat hij thuis een zeemeerminstaart heeft. ,,Ik heb dat werkelijk gedaan, in de tweede klas van de basisschool.''

Het leven van Van der Linden is niet een doorsnee schrijversleven. ,,Ik kan niet de hele dag in mijn eentje in een studeerkamer zitten en boeken schrijven. Ik wil met mensen praten, met mijn voeten in de klei staan.'' Zijn fulltime baan bij Gemeentewerken Rotterdam is daar een garantie voor. Maar rest er dan wel genoeg tijd om te schrijven? ,,Anderen sporten of kijken televisie. Ik werk, soms tot vier uur 's nachts. In de trein van Haarlem naar Rotterdam lees ik het materiaal dan over.''

Van der Linden werkte naar eigen zeggen in drie fasen aan zijn eerste boek. ,,Eerst zette ik het verhaal, rechtuit, in vijf maanden op papier. Het was als een soap, ik was elke avond benieuwd wat er weer zou gebeuren. Nadat ik het een maand had laten liggen, ben ik de bronnen gaan controleren. De laatste fase was de kippenvelfase, waarbij allerlei verzinsels en toevallig ontstane verbanden, helemaal niet zo toevallig bleken te zijn.'' Van der Linden maakte in die periode een diagram ter grootte van de kamerdeur, waarin alle verhaallijnen een plaats kregen. ,,Ik ben een verhalenverteller. Het draait om het verhaal, de taal is daar dienstig aan. Ik lees al mijn zinnen hardop voor, en als ze niet lopen pas ik ze aan. Het zien van dingen is een cadeautje, dat is het talent wat ik heb. Dan volgt het timmeren met taal. Het is mooi, de taal overwinnen. Ik ben tevreden als ik een zin heb gemaakt die ik graag bij anderen zou lezen.''