De koppige krachtpatser van 't Heike

Het was 17 juli 1951 toen het onvergetelijke drama zich afspeelde. Gehuld in de gele leiderstrui van de Tour de France daalde Wim van Est in een moordend tempo de Aubisque af. Hij wilde in het spoor blijven van Fiorenzo Magni, in die tijd de beste daler van het peloton. De Brabander `miste' een bocht, stortte in het ravijn. Toegesnelde hulpverleners knoopten veertig tubes aan elkaar en hesen Van Est omhoog. `Zeventig meter viel ik diep, mijn hart stond stil, mijn Pontiac liep' – zo luidde de beroemde slogan van de horlogefabrikant die prompt met de renner in zee ging.

Vandaag is Van Est overleden – twee dagen na de bekende dorpspastoor Ad de Bok van St. Willebrord. 't Heike, zo heet het katholieke St. Willebrord in de volksmond, treurt. Van Est was een legende. De Tour kon hij nóóit winnen. Daarvoor had hij te weinig klimtalent. Zijn bonkige lijf was beter geschikt voor de klassiekers dan voor de grote ronden. Wegens zijn krachtdadige, offensieve rijstijl kreeg hij prachtige bijnamen: `IJzeren Willem' en `De Locomotief'.

In de jaren vijftig bracht Van Est het Nederlandse wielervolk in een euforische stemming. Hij was niet alleen de eerste Nederlandse geletruidrager, `Wimme' zorgde ook voor een nationale primeur door (in 1953) de Ronde van Vlaanderen op zijn naam te schrijven. Twee keer won hij de Ronde van Nederland. Heldhaftig was zijn optreden in Bordeaux-Parijs, een (niet meer bestaande) monsterrit over meer dan vijfhonderd kilometer. 's Nachts was het vertrek, de `dwangarbeiders' bereikten de finish 's middags. Driemaal greep Van Est de hoofdprijs.

Negen jaar geleden bezocht ik Wim van Est thuis in 't Heike. Zijn keurig gepoetste fiets stond bij de voordeur, want toen (en ook later nog) ging hij drie keer per week op weg voor een tochtje van zo'n veertig kilometer. Ik zie hem nog zitten aan de keukentafel. Een bruine kop. Zijn armen en benen en een vloek gebruikte hij om zijn betoog te ondersteunen. Zijn ogen vlamden. ,,De school der wielrenners, dat is het hardste wat er bestaat'', zo begon hij zijn verhaal. ,,Er zijn er niet veel die dat examen haalden.''

In zijn heerlijke dialect verhaalde hij over zijn jeugd. Als tweede kind uit een gezin van zestien kinderen werd hij als dertienjarige gestald bij een boer, om te werken. ,,Op Stampersgat, voor drieënhalve gulden in de week. Hoewel ik de moord stikte van de vort (heimwee, red.), moest ik daar ook in de kost. De weinige uren dat ik sliep, lag ik in een bakkeet. 's Nachts werd ik wakker van de ratten, die op het spek afkwamen die in dat kot hing. (..) Nu kan ik daar om lachen, maar ik had daar een keihard leven. Ik heb ook verschrikkelijk veel slaag gehad. Afzien was het, méér afzien soms dan in de lastigste koers die ik ooit heb gedaan.''

Het waren `harde coureurs', die van 't Heike. Spaans bloed hadden ze in de aderen. Van Est was niet de enige. Hij had twee fietsende broers, en ook de familie Wagtmans kwam uit St. Willebrord. De clown Wout, een generatiegenoot en `maatje' van Van Est, en later diens neef Rini. Schrijver Anton van Duinkerken – afkomstig uit Bergen op Zoom – omschreef de mannen uit 't Heike als koppig, hard, ruw, luidruchtig en vrijheidslievend. In het pas verschenen boek Tussen Bordeaux en Alpe d'Huez staat dat ze ook goedlachs, gastvrij, gul en fel waren. De `Heikemensen' met hun grote gezinnen waren gewend in de schrale zandgrond te ploeteren. ,,Geld en werken, daar draaide de wereld om'', vertelde Van Est in Het IJzeren Uurwerk, zijn levensverhaal, opgetekend door John Linse. Verwend werden ze nauwelijks door het leven. Vertier zochten ze in het café en op de jaarlijkse kermis.

En ze verdienden ,,stevig bij met smokkelen'', verzekerde Van Est me tijdens mijn bezoek in 1994. Gierend van de pret vertelde hij hoe zelf hij smerissen en jachtopzieners te slim af was, toen hij ,,geitevellen, sigaretten en tapijten'' illegaal over de grens bracht. ,,Drie, vier auto's joegen tevergeefs op me.'' Een uur later waren het ,,zeker zes auto's''. Want Van Est kon overdrijven; hij stelde de zaken graag mooier of dramatischer voor dan ze waren. Zo herinnerde hij aan de door hem gewonnen Ronde van Vlaanderen van 1953, waar hij bijna door zijn ploegleider Lomme Driessens zou zijn `verlinkt'. Driessens zat in de slag met `de vijand', wist Van Est. ,,Hij had een spoorwegbeambte omgekocht, die de spoorbomen voor mijn neus dicht deed. Ik stond tweeënhalve minuut voor die bomen, zonder dat er een trein kwam.'' De kranten van destijds berichtten niet over dat incident.

De legendarische Van Est had het naar zijn zeggen geregeld aan de stok met collega-renners, die zich niet aan onderweg gemaakte financiële afspraken hielden. Hij bekende ook dat hij het NK van 1953 had verkocht aan Gerrit Schulte, ,,die zijn carrière met iets moois wilde afsluiten''. ,,Vijfentwintighonderd gulden, anders doe ik het niet, zei ik tegen Schulte.'' Ik zie Van Est nog smullen toen hij het vervolg vertelde: ,,Ik vergeet die wedstrijd nooit, want de volgende dag stond in de krant: `Oude Schulte vermorzelt Van Est'. Mijn vrouw was laaiend. `Je bent van boerenafkomst Wim, maar je bent ook een echte boerenlul. Wat ben je toch een lomp varken.''

Van Est was grenzeloos populair, in het bijzonder in Brabant. Dat bleek, bijvoorbeeld, in de nadagen van zijn carrière toen hij (weer eens) een aanvaring had met de bekende, altijd sigarenrokende ploegleider Kees Pellenaars. `De Pel' waagde het Van Est te passeren voor de nationale Tourploeg. De woedende fans van de renner wilden Pellenaars te grazen nemen, maar de teambaas was niet bang. Hier is 't, liet hij op zijn Bredase woning kalken.

Van Est stopte in 1965 als prof, na een loopbaan van zestien jaar. Daarna werd hij een geslaagde zakenman, in de bouw.