Verliefd op het verleden

Natuurlijk begon het weer in de negentiende eeuw. De literatuur zocht zijn roots en vond die in de oudere teksten in de volkstaal. Wat dat betreft lijkt de literatuur net op mensen. In oorlogstijd bombardeert of berooft men bibliotheken en musea. Wanneer er ergens rust is gekomen, men elkaar de kop niet meer inslaat en elkaar enige bewegingsvrijheid gunt, is er plaats en aandacht voor het verleden. Men schikt een beetje in en verwelkomt opa als iemand die er eigenlijk altijd wel was maar voor wie men eerst geen tijd had. Men lijkt zich aan het begin van de negentiende eeuw opeens te realiseren dat men een eigen stamboom heeft met mooie verwanten in de Middeleeuwen, enige bastaarden in de zestiende en achttiende eeuw en met een kanjer van een betovergrootvader in de zeventiende eeuw.

Vóór die tijd wist men in Nederland niet eens dat er een rijke literatuurgeschiedenis te schrijven viel. Wie de oudste boeken over de literaire historie bekijkt, zou denken dat er maar twee teksten uit de Middeleeuwen overgeleverd waren: de Rijmkroniek van Melis Stoke en Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant. Vrijwel alle teksten uit de Middeleeuwen die nu tot de canon behoren, zijn pas in de eerste decennia van de negentiende eeuw ontdekt en uitgegeven: de Reinaert, Mariken van Nimweghen, Esopet, Beatrijs. Overigens maakten Duitsers ons attent op ons rijke bezit aan middeleeuwse handschriften. Jacob Grimm schreef een open brief aan de Nederlanders waarin hij aan iedereen vroeg of ze eens wilden opletten of ze nog ergens een oud liedboek of een verzamelhandschrift hadden liggen. Verwonderd keken de geleerden op: ja inderdaad, die lagen er en kijkend met de blik van Grimm realiseerden ze zich dat zo'n oud handschrift wel eens waardevol zou kunnen zijn. De Duitser A. Hoffmann von Fallersleben ging Vlaanderen in en trad met armenvol wonderschone Middelnederlandse literatuur naar buiten. Wat moet die man in zijn vuistje gelachen hebben. Duitsland was al afgestruind, maar in Nederland kon je nog echte ontdekkingen doen.

Weldra ontstond er een hele bedrijvigheid in de literaire winkel. Als er veel oude teksten blijken te zijn, moeten die ook uitgegeven worden. Editeurs moesten aan het werk, en omdat ze niet gewend waren oude teksten uit te geven, spiekten ze in het buitenland en bij editeurs van klassieke werken hoe dat moest. Die teksten moeten ook in een samenhang gepresenteerd worden, dus waren er geschiedschrijvers nodig die het begin van de Nederlandse literatuur konden aanwijzen en die de overgeleverde teksten in de geschiedenis plaatsten. Er kwamen literatuurgeleerden, en er kwam onderwijs in de literatuur. Eerst nog heel weinig, en op de universiteit alleen nog maar als bijvak, maar in de loop van de eeuw kon men zelfs gaan promoveren op literatuur. Er kwamen lezers van historische literatuur, en uitgevers speelden handig in op de nieuwe markt door de Nederlandse klassieken in series uit te gaan geven.

Tegelijkertijd nam in romans en gedichten de aandacht voor geschiedenis duizelingwekkend toe. Hoe die synchroniteit verklaard moet worden weet ik niet, maar er moet zeker verband tussen het een en ander zijn. Er wordt geen gedicht meer geschreven of er komt een ridder in voor die doldwaas verliefd wordt op een maagd op wie hij beter niet verliefd had kunnen worden omdat zij zijn zuster is of uit een vijandig geslacht stamt. Gewone zedenromans worden ouderwets, alles en iedereen vraagt om historische romans. Wij lezers van nu zitten met de gebakken peren. Als we al een negentiende-eeuwse roman lezen, zouden we toch liever een smakelijke beschrijving van de toenmalige tijd zien dan een door negentiende-eeuwse ogen gegeven beschrijving van de zeventiende eeuw. Men moet een paar maal de hoek om om te kunnen begrijpen dat die weergave van de historie toch eigenlijk meer zegt over de tijd van de schrijver dan over de beschreven eeuw.

Ik leg altijd uit aan mijn studenten, dat de thema's van de historische roman een travestie zijn van de thema's van de eigen tijd. Dus als Truitje Toussaint in Het huis Lauernesse schrijft over een adellijke vrouw in de zestiende eeuw die haar geliefde in de steek laat omdat hij een andere godsdienst heeft dan zij, gaat dat niet over pilaarbijters en myope kwezelaars, maar over de positie van de vrouw in die tijd. Ottelijne durft een huwelijk op te geven voor een betere zaak, namelijk zelfstandigheid. Het was makkelijker geweest voor mij als literatuurdocent, als het lieve mens, ik bedoel Bosboom, gewoon in eigentijdse fictie over dat probleem geschreven had. Ik betreur het altijd zeer dat Jacob van Lennep maar één eigentijdse roman geschreven heeft. De pleegzoon en De Roos van Dekama zijn schitterende historische romans, maar ze missen toch de valsheid en de directheid van De lotgevallen van Klaasje Zevenster.

Die absorptie van het verleden in de roman moet sterk te maken hebben met de behoefte aan geschiedenis. Het is erg onheus van mezelf om dat de negentiende-eeuwers kwalijk te nemen. Zelf heb ik een preoccupatie met het verleden het zal u niet ontgaan zijn. Ik kan niet leven zonder voortdurend aan vergane eeuwen te denken. Ik voel me niet thuis in een nieuw gebouwd huis, ik moet oude panden hebben. Ik kan niet leven in een stad waar de geschiedenis niet synchroon met het heden meeloopt. Ik moet oude lijnen zien, huizen uit vele eeuwen, grillige wateroevers, rommelige patronen, aanbouwsels, provisorische oplossingen die de tijd doorstaan. Het Concertgebouw is voor mij extra mooi geworden door de twintigste-eeuwse aanwas.

Toen ik eens een flinke tijd in Tel Aviv doorgebracht had, ben ik na mijn terugkomst enige uren langs de Amsterdamse grachten gaan lopen, herademend bij het zien van vier eeuwen tegelijkertijd. Daarom houd ik ook zo van Italië, waar in de steden elke eeuw die er na de Romeinen bestaan heeft, aanwezig en herkenbaar is. In Griekenland zie je alleen de klassieke kunst en de modernste, maar de eeuwen daartussen lijken weggevaagd te zijn.

Voor literatuur geldt hetzelfde: Shakespeare is voor mij even actueel en even aanwezig in mijn geheugen als Mulisch. Oud en nieuw gaat samen, en ik zou er niet aan moeten denken alleen nieuwe literatuur te mogen lezen. Dankzij die negentiende-eeuwers en hun speurtochten in de krochten van oude kloosters en kastelen, kunnen we nu die heerlijke teksten uit de Middeleeuwen lezen, die me altijd weer verbazen omdat ze ondanks al die eeuwen toch zo `familie' zijn. Natuurlijk is opa een beetje versleten, natuurlijk gaat alles wat langzamer, maar is een extended family niet veel leuker dan het gesloten eigentijdse gezin?