De terugkeer van de generaals

In Indonesië woedt een machtsstrijd tussen hervormingsgezinde generaals en hard-liners in de landmacht, die opnieuw een rol opeisen in het binnenlandse veiligheidsbeleid. De hard-liners laten zich inspireren door het voortvarende Amerikaanse optreden in Irak. `Het leger stelt overal ter wereld ultimata.'

Indonesische tv-kijkers zijn al gewend aan de buitenissige beelden. Als Megawati Soekarnoputri, hun eerste vrouwelijke president, weer eens op bezoek gaat bij de troepen, hult zij haar mollige gestalte in een camouflagejack of laat ze zich door een land-, zee- of luchtmachtofficier een baret op het keurig gekapte hoofd drukken. Megawati is de darling of the forces.

De liefde is wederzijds. Toen ze haar eerste kabinetsvergadering als staatshoofd opende, wierp ze de oud-officieren in haar ministersploeg een ontwapenende glimlach toe die de roddelpers in vervoering bracht. Als vurig nationaliste heeft Megawati veel meer vertrouwen in de strijdkrachten dan haar voorganger Abdurrahman Wahid.

Daar doet de legertop zijn voordeel mee. Generaals zijn opnieuw salonfähig, vijf jaar nadat generaal-president Soeharto het veld moest ruimen. De Nationale Strijdkrachten van Indonesië (TNI), dertig jaar lang een steunpilaar van diens autoritaire Nieuwe Orde, kwamen met de schrik vrij. Een enkele officier staat nog terecht wegens excessen, maar laat zich bijstaan door dure strafpleiters en maakt zich weinig zorgen.

Een nieuwe lichting topofficieren blaakt van herwonnen zelfvertrouwen na enkele jaren van bezinning op hun rol in een jonge democratie. De burgerpolitici zijn de baas, zo erkennen de mannen in het groen, maar je kunt niet alles aan ze overlaten. En voor de politie, die tegenwoordig verantwoordelijk is voor de binnenlandse veiligheid, hebben ze niets dan minachting.

Het land heeft ons nodig, zeggen de generaals zonder een spoortje schroom, want ze hebben het internationale tij mee. De Republikeinen in Washington werven overal in de wereld bondgenoten voor hun oorlog tegen het terrorisme. Met als gevolg dat sinds `11 september' de Indonesische strijdkrachten, de landmacht voorop, een hoofdrol opeisen in de bestrijding van terreur en separatisme. Als de politici in Jakarta zich naar de mening van de militairen onvoldoende rekenschap geven van de gevaren die de eenheidsstaat bedreigen, zetten de militairen het vijandbeeld wat steviger aan.

Desnoods met een kunstgreep, zoals vorig jaar zomer in Tembagapura, Koperstad. In deze nederzetting op 2.000 meter in de bergen van Papoea woont personeel van het Amerikaanse concern Freeport-MacMoran dat daar een koper- en goudmijn exploiteert. Op 31 augustus namen onbekenden even buiten Koperstad met automatische wapens drie vrachtwagens en twee Toyota Landcruisers onder vuur, met daarin mijnwerkers en docenten van de aan de mijn verbonden internationale school. Drie passagiers, onder wie twee Amerikanen, werden dodelijk getroffen, elf anderen raakten gewond.

Vrijwel onmiddellijk daarna oordeelde de militaire commandant van Papoea dat er was geschoten door een strijdgroep van de Organisatie Vrij Papoea (OPM). De Amerikaanse ambassadeur in Jakarta, Ralph L. Boyce, schreef de aanslag binnen 24 uur toe aan `terroristen'. Maar uit onderzoek in opdracht van de politiechef van Papoea bleek het tegendeel. Zijn rechercheurs stelden samen met speurders van de FBI op basis van onder meer sporenonderzoek vast dat er was geschoten door leden van dezelfde legereenheden die geacht worden het `vitale' project Freeport te beveiligen en die volgens de politie belust zijn op afpersing van het bedrijf. Het FBI-rapport verdween in een la, het politieonderzoek kreeg geen vervolg en ambassadeur Boyce zag geen aanleiding zijn eerdere conclusies in te trekken. De verstandhouding met `terreurbestrijder' TNI mocht kennelijk geen schade ondervinden van dit incident.

De nieuwe assertiviteit in legerkringen heeft al geleid tot de eerste politieke schermutselingen. Eind december wisselden hoge officieren op het ministerie van Defensie in Jakarta van gedachten met burgerdeskundigen over een wetsontwerp op de strijdkrachten, opgesteld door een militaire werkgroep. De deskundigen hamerden op onderschikking van de TNI aan de burgerpolitici. Ze namen vooral aanstoot aan artikel 19 dat het militaire opperbevel in geval van nood machtigt troepen in te zetten zonder voorafgaande toestemming van het staatshoofd. Toen een burgerdeskundige het bewuste artikel kwalificeerde als ,,legalisering van een militaire staatsgreep'', ontaardde het beraad in ruzie. ,,Zo is het wel genoeg'', riep een officier, ,,we gaan hier niet in debat over de vraag wie de teugels vasthoudt.''

Ook in het parlement en in de media klinken protesten tegen artikel 19. Commentatoren achten het in strijd met de vorig jaar aangenomen Wet op de landsverdediging. Die bepaalt onder meer dat alleen de president kan beslissen over inzet van troepen. De militaire stafleden van Defensie weigerden echter het artikel aan te passen, omdat naar hun zeggen de chef-staf van de TNI het ontwerp al had goedgekeurd.

Deze chef-staf, generaal Endriartono Sutarto, verdedigde het gewraakte artikel 19 als volgt: ,,Het houdt rekening met de mogelijkheid dat er onrust op grote schaal uitbreekt en de president onbereikbaar is, bijvoorbeeld omdat hij of zij is ontvoerd door rebellen. Moeten we dan wachten totdat er een nieuw staatshoofd is geïnstalleerd?'' In hoeverre de tekst later dit jaar ongeschonden door het parlement komt is nog de vraag, maar de controverse tekent de verslechterde relatie in Indonesië tussen de burgers en de militairen. Politicoloog Kusnanto Anggoro, die het beraad van december bijwoonde: ,,De TNI heeft kennelijk geen vertrouwen meer in het burgerbestuur.'' En, pikant, volgens de politicoloog is het omstreden artikel pas geformuleerd nadat op 12 oktober vorig jaar op het vakantie-eiland Bali twee krachtige bommen waren ontploft die bijna 200, meest buitenlandse, toeristen de dood injoegen. De analist vermoedt achter deze tekst de hand van de chef landmacht, generaal Ryamizard Ryacudu (`RR'), die algemeen wordt beschouwd als de kampioen van de harde lijn. Kusnanto: ,,Ryamizard zag de Balibommen als bewijs voor zijn stelling dat de TNI is verzwakt.''

Militiefurie

Na de val van potentaat Soeharto in mei 1998 bezon de TNI zich op haar rol in de nieuwe politieke verhoudingen. Dat proces kwam in een stroomversnelling onder president Abdurrahman Wahid. Hij benoemde een burger als minister van Defensie en doorbrak de almacht van de landmacht door een admiraal aan te stellen als chef defensiestaf. Hij ontsloeg de machtige generaal Wiranto als superminister van Veiligheid, toen die door een onafhankelijke onderzoekscommissie verantwoordelijk werd gesteld voor de militiefurie van september 1999 in Oost-Timor. De sociaal-politieke rol van de TNI – deelname van militairen aan het openbaar bestuur, een uit de jaren '50 daterend leerstuk – werd afgeschaft en daarmee kwam een einde aan de praktijk dat vooral (oud-)officieren de posten van gouverneur en districtshoofd bezetten. Na de verkiezingen van volgend jaar moeten de fracties van strijdkrachten en politie verdwijnen uit het parlement en het Volkscongres, die samen de volksvertegenwoordiging vormen.

Maar toen enkele nieuwlichters ook de militaire territoria wilden opheffen waarin het grondgebied van Indonesië is onderverdeeld, keerde het tij. De strijdkrachten van Indonesië ontstonden in de jaren 1945-'49 tijdens de guerrilla tegen Nederland, toen de jonge krijgsmacht het moest hebben van nauwe samenwerking met de bevolking. Gezien de zwakte van de luchtmacht (23.000 man) en de marine (45.000 man), die een hoofdrol moeten spelen bij het afweren van een aanval van buitenaf, berust het leeuwendeel van de defensietaak bij de landmacht (240.000 man), die de bevolking moet organiseren voor de guerrilla tegen een mogelijke bezetter. Dit is de doctrine van de territoriale defensie. De territoriale commandanten zijn op alle niveaus lid van het regionale leiderschapsoverleg en blijven zo, ook zonder gouverneursposten, betrokken bij het plaatselijk bestuur.

Een gunsteling van president Wahid, generaal Agus Wirahadikusumah, pleitte voor een heroriëntatie van de krijgsmacht op verdediging van de landsgrenzen. Daarmee zou TNI zijn defensiedoctrine opgeven zonder een pasklaar alternatief. Voor bewaking van de grenzen is de TNI slecht toegerust. Een versterking van marine en luchtmacht, zoals Wahid bepleitte, zou afbreuk doen aan de machtspositie van de landmacht en die stak daar een stokje voor. Een voor de landmacht zwaarwegend argument om de territoriale opbouw te handhaven is dat de militaire aanwezigheid in de gewesten officieren en manschappen in staat stelt hun karige wedde aan te vullen met inkomsten uit allerhande bedrijvigheid, zoals houtkap, visserij en de `protectie' van vitale projecten als Freeport.

Wahid zette niet alleen de TNI-gelederen tegen zich op. Hij bruskeerde met zijn grillige ontslagbeleid bijna alle partijen in het parlement, dat een impeachment-procedure tegen hem aanspande wegens vermeende malversaties. Toen Wahid daarop de noodtoestand uitriep in een poging dit te voorkomen, weigerden leger en politie te helpen het parlement te ontbinden. Wahid werd in juli 2001 afgezet door het Volkscongres, met steun van de leger- en politiefracties, en vice-president Megawati Soekarnoputri werd president. In augustus 2001 vergaf zij vier kabinetsposten aan (oud-)militairen. Twee van hen rekent ze tot haar vertrouwelingen: minister van Transport Agum Gumelar, en het hoofd van de Staatsveiligheidsdienst (BIN), de houwdegen A.M. Hendropriyono, kortweg `Hendro'. Die vertrouwensband dateert uit de periode toen Megawati dong naar het voorzitterschap van de semi-oppositionele Partai Demokrasi Indonesia (PDI). President Soeharto zag haar als een engel der wrake die hem vroeg of laat de rekening zou presenteren voor de manier waarop hij haar vader aan de kant had gezet, en stelde alles in het werk om haar verkiezing te dwarsbomen. Het buitengewone partijcongres in december 1993 werd van hogerhand gesloten, nog voordat Megawati haar kandidatuur kon verzilveren. Een speciale zitting van de partijraad in Jakarta moest vervolgens beslissen over het voorzitterschap.

Stadscommandant

Luitenant-generaal b.d. Abdullah Mahmud Hendropriyono (57) houdt kantoor in het zwaar beveiligde BIN-fort in Jakarta-Zuid. De oud-officier van de commando's vertelt graag hoe hij Megawati in het zadel hielp. ,,Ik was in 1993 stadscommandant van Jakarta'', zegt hij, ,,en ik kreeg van de chef-staf orders te zorgen voor een ongestoord en `succesvol' verloop van de PDI-partijraad. `Wat bedoelt u met succesvol', vroeg ik. `Een uitkomst die in overeenstemming is met het regeringsbeleid', luidde het onbevredigende antwoord. Toen president Soeharto vertrok voor een buitenlandse reis, deed ik hem uitgeleide. Ik vroeg hem toen of hij een democratische partijraad wenste of dat hij de beraadslagingen in een bepaalde richting wilde sturen. Hij dacht even na en zei: `Organiseer het goed en hou de stemming in de zaal in de gaten'.

,,Na zijn vertrek kreeg ik allerlei instructies die erop neerkwamen dat één van Megawati's tegenkandidaten moest winnen. `We gaan geen slachtkip kiezen', zei ik, want het was duidelijk dat een ruime meerderheid van de partijraad Megawati steunde. Collega's van de staatsveiligheidsdienst waren het met mij eens dat een geforceerde verkiezing van een outsider Indonesië een slechte naam zou bezorgen. Een van mijn naaste medewerkers bij de afwikkeling van de partijraad was Agum Gumelar, die toen een topfunctie had bij de militaire inlichtingendienst. Het werd Megawati en dat kostte mij mijn carrière binnen de TNI.'' Zodoende werd Hendro in 2001 lid van Megawati's nieuwe partij, de PDI-P, die bij de verkiezingen van 1999 met 35 procent van de stemmen de grootste van het land was geworden.

Een van de oud-officieren in Megawati's kabinet is de coördinerende minister van Politieke en Veiligheidszaken, Susilo Bambang Yudhoyono (53), in de wandeling `SBY'. Hij gold al onder Soeharto als nieuwlichter. Tijdens zijn studie aan het Command and General Staff College in Fort Leavenworth, Kansas, schreef hij een pleidooi voor professionalisering van de Indonesische strijdkrachten en beëindiging van hun bemoeienis met de politiek. Dat was in 1991. Hij heeft zich de laatste jaren als minister ingespannen voor een vreedzame oplossing van het conflict tussen moslims en christenen op de Molukken en zoekt een antwoord op het hardnekkige separatisme in Atjeh en Papoea. Hij is een krachtig voorstander van de bijzondere autonomie die deze twee rebelse randgewesten in 2001 bij wet is toegekend.

Maar SBY heeft één probleem: hij is de voeling met de oud-collega's kwijtgeraakt. Dat bleek afgelopen februari in het hoofdkwartier van de landmacht op een informele bijeenkomst van 250 gepensioneerde officieren. Dit seniorenconvent was belegd door de chef landmacht, generaal Ryamizard Ryacudu, bijgenaamd RR. Op de agenda stond `de toestand' van de Republiek. De gastheer zette de toon. ,,De TNI'', zei hij, ,,is en blijft de bewaker van de eenheidsstaat.'' De veteranen vielen hem bij en legden de ook aanwezige SBY het vuur aan de schenen. Zij verweten hem dat hij het groene licht had gegeven voor onderhandelingen in Genève met de separatistische beweging Vrij Atjeh (GAM). Regering en GAM sloten op 9 december een bestand dat moet uitmonden in ontwapening van het GAM-leger en terugtrekking van militairen uit Atjeh. De GAM heeft vervolgens van deze gevechtspauze gebruikgemaakt om in de dorpen van Atjeh rekruten te werven en propaganda te maken voor de onafhankelijkheid van Atjeh. RR en vele officieren met hem vinden dit onverdraaglijk, maar erg geloofwaardig zijn ze niet. De Atjehers zijn nog niet vergeten hoe het leger in de jaren '90 de burgerbevolking terroriseerde om de GAM te isoleren.

Dezer dagen geeft generaal Ryacudu het ene interview na het andere. Keer op keer legt hij in vierkante soldatentaal uit dat de regering ,,separatisten en terroristen in de watten legt''. Hij noemt steevast de GAM en ook de in 1998 bovengronds gekomen beweging voor onafhankelijkheid van Papoea. ,,De omheining van onze staat, Atjeh en Papoea, moet worden versterkt'', zegt hij in dat verband. Over raadpleging van het staatshoofd zegt hij: ,,Wij van de landmacht kennen de situatie te velde het best. De president is heel duidelijk: zij wil niet dat Indonesië uiteenvalt. Wij maken onze eigen gevolgtrekkingen en hoeven haar niet elke dag om richtlijnen te vragen. Dat is onnozel.'' In een recent commentaar op de gespannen situatie in Atjeh, waar het bestand op springen staat, zei hij: ,,Het leger stelt overal ter wereld ultimata. Als die na een maand niet worden gehonoreerd, gaat men er tegenaan. Kijk maar naar de Amerikanen in Irak.''

Feit blijft dat de TNI-top niet eensgezind is. Ingewijden vertellen dat de chef-staf, generaal Endriartono Sutarto, bezwaren heeft tegen artikel 19. Deze hoogste militair van Indonesië zou niet willen morrelen aan de `civiele suprematie'. Maar het is de vraag of Sutarto nog op goede voet verkeert en communiceert met de top van de landmacht. Zo zou de generaal nooit de volledige tekst van het omstreden wetsontwerp hebben gezien voordat het werd gepubliceerd.

De laatste aanwijzing dat hard-liners in en buiten het kabinet van Megawati hun eigen spel spelen en collega's die zij als `te zacht' beschouwen passeren, kwam op 23 januari. Toen tekende de president, op aandringen van BIN-chef Hendropriyono, een decreet over de versnelde opdeling van Papoea in drie provincies. Dat is in strijd met de Autonomiewet van 2001, die bepaalt dat het provinciale parlement het laatste woord heeft bij een bestuurlijke herindeling. Een week later verscheen een gepensioneerde officier van de inlichtingendienst, de Papoea Abraham Atururi, in de provinciehoofdstad Jayapura met een aanstellingsbrief, ondertekend door Hendropriyono. Hendro had Atururi benoemd tot gouverneur van de (nieuwe) provincie West Irian Jaya (Irian Jaya is de oude naam van Papoea). Deze zetbaas van het leger nam zijn intrek in een leeg kantoorgebouw in het westelijke stadje Manokwari. Superminister Yudhoyono zou in die periode naar Papoea reizen, maar hij zag daar vanaf. Hij was niet op de hoogte van het decreet en had, zei hij, ,,geen zin in vragen die ik niet kan beantwoorden''.