Als je niks anders te koken hebt dan water

Ruim 12,6 miljoen Ethiopiërs zijn aangewezen op voedselhulp. Hoe het is om altijd honger te hebben.

Armoe? Wat is armoe voor een Ethiopische boer? De 48-jarige Ibrahim Adama Mussa laat zich onder een boom op zijn hielen zakken. Hij gaat er eens goed voor zitten. Hij plukt een strootje van de grond.

Net nog voerde hij het hoogste woord bij de werkzaamheden aan de weg waartoe de districtsbestuurders van de kebele Abaso Kotu de boeren hebben veroordeeld. Wie in aanmerking wil komen voor voedselhulp in deze hooglanden van Zuid-Wollo, moet vijf dagen per maand werken voor de gemeenschap. Terrassen bouwen zodat de grond niet langer wegspoelt. Putten graven om het regenwater op te vangen. De kronkelige bergpaden effenen zodat de ezels die zwaar met brandhout zijn beladen binnen een dag kunnen sjokken naar de stad.

,,Welke armoe bedoelt u?'', vraagt Ibrahim, terwijl hij het strootje door zijn mond laat rollen.

Zoals het Groenlands een scala woorden heeft voor sneeuw, zo kent het Amhaars allerlei termen voor armoe. Alleen de armen weten hoeveel verschijningsvormen armoe heeft.

Ethiopië is een van de armste landen ter wereld. Amhara is een van de armste regio's van Ethiopië. Ruim driekwart van de bevolking leeft van minder dan twee dollar per dag, bijna eenderde van minder dan een dollar.

Je hebt natuurlijk de deha, legt Ibrahim uit. Dat zijn de armen die in in elk geval nog een stukje grond hebben, nooit groter dan een halve hectare. Ze hebben een jaarlijkse graanoogst van drie, vier quintals, 300 tot 400 kilo, genoeg om een gezin van zes bijna een halfjaar van te voeden. Ze moeten het doen zonder os, zonder koe, zonder ezel. Ze hebben wel een paar schapen of geiten en een handvol kippen.

,,Dan heb je nog de marari.'' Ibrahim verhuist het strootje van de linker- naar de rechterhoek van zijn mond. Die hebben niet eens vee. Die moeten zich als dagloner in leven zien te houden of met een marginale handel. Zonder hulp zouden ze verloren zijn. En dan zijn er nog de tsom-adari, letterlijk: zij die hongerig naar bed gaan. Altijd nog één treetje boven het bezinksel van de armen, de wuha anfari, zij die niks hebben te koken dan alleen maar water.

Tot welke categorie Ibrahim zelf behoort? Dat is een onbescheiden vraag die argwaan wekt. Amharen zijn toch al ,,ziekelijk wantrouwend'', schrijft de Poolse journalist Ryszard Kapuscinski in zijn boek over de laatste Ethiopische keizer. Ze zijn ,,pessimistisch en treurig van karakter''.

Daar hebben de Amhaarse boeren ook alle reden toe want van buitenstaanders hebben ze niets goeds te verwachten. Dat was eeuwenlang zo in het feodale stelsel. Dat was van 1974 tot 1991 zo tijdens het marxistisch bewind. Dat is nog steeds zo in de `revolutionaire democratie' die net zo dirigistisch als haar voorgangers is.

Ibrahim spuugt het strootje op de grond. Zoals de boeren hebben geleerd het weer te peilen, zo lezen ze ook de bedoelingen van de voorbijgangers uit de stad. Nooit komen die te voet of per ezel, altijd in glimmende terreinwagens op hoge banden. Als het buitenlanders zijn, laten ze zich ook nog eens vergezellen door tolken, of hulpverleners, of bestuurders, die allemaal weer hun eigen belangen hebben. Een woord verkeerd en alle hooglanders worden misschien gedeporteerd naar de hete laaglanden. Een woord verdraaid en de voedselhulp stokt. Dat is de reden dat Ethiopische boeren nooit het achterste van hun tong laten zien. Overlevingsgereedschap, net zoals de hak en de ploeg.

Ibrahim strijkt over zijn gescheurde, veel te wijde jas. Hij wrijft over zijn gelapte, veelkleurige broek. Natuurlijk is hij arm. Al heeft hij twee ossen, een ezel, vier geiten, twee schapen en nog wat pluimvee. Al heeft hij vorig jaar bijna zes quintals graan en bonen geoogst. Maar in zijn ronde hut met standpaal die als een roeispaan boven het rieten dak uitsteekt, liggen ook opengesneden zakken met opschrift `U.S. Wheat' op de vloer, net als bij de buren. En over de stok aan de nok hangt ook maar één stel reservekleren. Als hij ziek wordt, is het voor hem ook 22 kilometer lopen naar de dichtsbijzijnde gezondheidspost.

Hulporganisatie Save the Children UK en het Institute of Development Studies van de University of Sussex hebben onderzoek gedaan naar de armoe in dit gebied. Ibrahim zouden ze waarschijnlijk hebben ingedeeld bij de 30,6 procent van de bevolking die zichzelf nog kan bedruipen. Tien jaar geleden was dat nog 77,1 procent. De armoe is in die tien jaar sterk gestegen. Het aantal bezitslozen dat volledig op hulp is aangewezen, verdrievoudigde bijna van 5,5 tot 14,6 procent.

Alarmerender nog vinden de onderzoekers dat het aantal `kwetsbaren' toenam van 17,4 tot 54,9 procent. Dat zijn de huishoudens die bij elke tegenslag verder wegzakken, die alleen maar overleven door hun laatste schapen te verkopen, of zichzelf.

Honger? Wat is honger voor een Ethiopische boerin? De 39-jarige Awagash Ahmed heeft sinds de dood van haar echtgenoot vier jaar geleden geen vlees meer gegeten. Dat noemt ze geen honger. Haar twee oudste kinderen zijn werk gaan zoeken in de zoutmijnen van Afar omdat ze 's ochtends niet eens injera, een grijs pannekoekje, voor ze bakte. De uitzichtloosheid konden ze niet verdragen. Maar honger was dat niet. En dat ze 's middags alleen injera heeft voor de twee jongste kinderen, daar zal ze niet van sterven. Dat is de wil van God.

Maar als 's nachts de kinderen huilen omdat hun magen knagen, dan is dat honger. Dan pakt ze de zak met soya-graan-mengsel van onder haar matras. Van een hulporganisatie gekregen omdat haar kinderen zijn ondervoed. Met een verzaligde glimlach strijkt ze met haar vingers langs haar lippen. Zo voedt ze haar kinderen in het pikkedonker. Een vleugje. ,,Alleen voor de smaak.''

Laatste deel van een tweeluik over Ethiopië en de honger. Het eerste deel verscheen gisteren.