Alle bronzen

Het grote raadsel van de bronstijd is waarom men toch zo veel zwaarden en bijlen in moerassen gooide. David Fontijn maakte als eerste een overzicht van de vondsten. Volgens hem hangen de deposities samen met levenscycli.

Waarom liet de prehistorische mens zoveel kostbare bronzen voorwerpen achter in rivieren en moerassen? Verklaringen genoeg: vergeten voorraden van reizende smeden, offers aan de goden, een economische truc om de waarde van brons te handhaven, opschepperij van rijke mensen vergelijkbaar met het in brand steken van een bankbiljet. Maar voor de Leidse archeoloog David Fontijn zijn deze klassieke oplossingen allemaal even onbevredigend. Serieuze inventarisaties van de bronstijdvondsten (2000 - 800 voor Chr.) zijn er nooit gemaakt. In zijn proefschrift, waarop hij vorige maand promoveerde, heeft hij voor Zuid-Nederland en België alle `bronzen' (zoals ze in het jargon heten) op een rijtje gezet en van een nieuwe verklaring voorzien.

Door zijn overzicht ontdekte Fontijn, tot zijn grote verrassing, dat er sprake is van zeer selectieve offers. Àlle bronzen voorwerpen werden op natte plaatsen gedeponeerd. De bronzen zwaarden worden bij voorkeur in grote rivieren gegooid, de bijlen, sikkels en andere wapens komen vooral in beekjes en moerassen terecht. En vrijwel allemaal zijn het gebruikte voorwerpen, die wel vaak zijn opgeknapt vlak voor de depositie. Volgens Fontijn kunnen de deposities daarom het best begrepen worden als de afsluiting van een `levenscyclus' van de voorwerpen. Het gaat om gebruikte voorwerpen, die voor het `offer' nog eens keurig werden bijgeslepen en opgepoetst.

Fontijn kent, bij toeval, maar één echt duidelijke parallel voor deze deposities en dat is een heel recente. ``Bij een archeologische opgraving werden in een weiland opeens allemaal Christusbeelden gevonden'' vertelt hij in een Leids café. ``Ze bleken van de boer te zijn geweest. Die had een zus die non was. Toen die overleed krijg hij al die Christusbeelden. Hij was zelf niet gelovig maar weggooien ging hem een beetje ver. Uiteindelijk heeft hij ze begraven in een weiland, keurig met Christus' hoofd naar boven gericht. Die kruisen waren geladen objecten geworden, die kon je niet omsmelten. Een echte depositie dus, aan het einde van de levenscyclus van de voorwerpen. In de bronstijd was die houding standaard, nu is het een curiositeit. Onze cultuur is totaal anders.

``De zwaarden en de wapens vormden een tijdelijk onderdeel van de persoonlijke identiteit, die met een depositie werd afgelegd. De bijlen waren meer met de gemeenschap verbonden'', legt Fontijn verder uit. Van groot belang daarbij is dat met het brons een `extern' materiaal zijn intrede deed in de verder geheel zelfvoorzienende dorpjes van de bronstijd. ``Het gaat om kleine gemeenschappen: een paar grote boerderijen, dertig mensen. Er is wel contact met buren, maar waarschijnlijk geen overkoepelend stamverband of iets dergelijks. Het brons was echter symbool voor een besef dat de eigen groep óók deel uitmaakte van een groter sociaal geheel, van een grote buitenwereld, waarmee men door ruilnetwerken verbonden was. Zo kwam men aan het kostbare materiaal. Het gaat hier om een cultureel betekenisvolle manier om met die niet-lokale voorwerpen om te gaan. Daarom verdwijnen de deposities zo snel in de ijzertijd. IJzer is vrijwel altijd lokaal te winnen uit moeraserts. Dan ontstaat er een heel andere sfeer.''

De bronstijd vormt de overgangstijd tussen de steentijd en de ijzertijd. In de Late Steentijd (vanaf 5500 v. Chr) werd er steeds meer aan landbouw gedaan in Nederland, maar de grote omslag naar agrarische middelen van bestaan vond plaats in de bronstijd. ``Dan ontstaat hier een echt cultuurlandschap'', zegt Fontijn. Vroeger werd de overgang van stenen naar bronzen werktuigen gezien als vanzelfsprekend, brons (een legering van koper en tin) zou technisch veruit superieur zijn. Tegenwoordig wordt dat heel anders gezien, zo veel handiger waren die vroege bronzen niet. ``De populariteit van brons moet ook iets te maken hebben met het feit dat het van verre kwam'', aldus Fontijn. ``Zelfs in Engeland, waar ze toch genoeg eigen koper- en tinmijnen hadden, is er vooral brons van buiten het gebied gevonden.''

Gezien het belang van de bronstijd is het verrassend dat de archeologie de bronzen voorwerpen zelf tot voor kort zo goed als genegeerd heeft. Fontijn: ``Men concentreerde zich op de graven en de nederzettingen, maar daar vind je de bronzen dus niet. Dat er ook wapens en bijlen waren, was natuurlijk wel bekend, maar het was nogal onduidelijk waar ze vandaan kwamen. Nu blijkt dus dat die bronzen uit precies dezelfde tijd zijn als al die mooie grafheuvels en nederzettingen. Men dacht tot voor kort zelfs dat er nauwelijks gevochten werd. Die bronzen wapens liet men gewoon links liggen. Onbegrijpelijk eigenlijk.''

Het probleem was dat de bronzen altijd in de perifere gebieden worden gevonden, en dus vrijwel altijd door amateurs. Het prachtige ceremoniële zwaard van Jutphaas, internationaal een absoluut topstuk, is bijvoorbeeld gevonden door twee schoolkinderen. Jarenlang heeft het zwaard op een kinderkamer gehangen. ``Archeologen stonden vrij negatief tegenover amateur-vondsten. Die werden niet betrouwbaar gevonden. En zonder duidelijke herkomst kan een archeoloog niet veel met een voorwerp. Gelukkig is die houding wel wat verbeterd, tegenwoordig.'' Fontijn ontdekte dat de herkomsten van de bronzen wel degelijk betrouwbaar zijn. Hij kreeg daarbij hulp van de oude archeoloog J. Butler uit Groningen, die als enige wèl altijd aandacht had voor de bronzen voorwerpen. ``Hij kent ontzettend veel amateurs die zich met de bronstijd bezighouden. Dat is een heel netwerk, waar ik gebruik van mocht maken.'' Butler stelde belangrijke deeloverzichten samen, en maakte cruciale analyses van stijl, datering en herkomst van de objecten. In Fontijns proefschrift staat voor het eerst àlles bij elkaar. Alleen een paar topstukken waren echt goed bekend. Verder is er wat te vinden in regionale musea. Maar het meeste ligt bij mensen thuis.

De meeste mensen die bronzen vonden, zijn heel betrouwbaar, heeft Fontijn gemerkt. ``De plek waar het gevonden is, kunnen ze vaak nog heel precies aanwijzen. De archeologie heeft echt veel aan hen te danken. Er zijn mannen bij die hebben weken op baggerboten gestaan om te kijken wat er boven kwam. Maar er is ook het verhaal van iemand die een zwaard vond doordat hij er letterlijk over struikelde, langs de Maas bij laag water. Thuis bleek het ding heel handig bij het behangen, om het behang glad te strijken. Uiteindelijk is hij ermee naar een deskundige geweest. Inderdaad een bronstijdzwaard, maar wel met het behangplaksel er nog aan!''

Er is ook nog wel een ander circuit: de illegale handel. Fontijn ging daarom ook naar verzamelaarsbeurzen. ``Ik deed of ik er niks van afwist. Gewoon vragen: hoe zit dat nou, en hoe oud is dat? Na verloop van tijd hoorde ik de gekste verhalen. Mensen die snoeven dat ze een terrein nog voor de archeologen kwamen hebben leeggehaald met metaaldetectoren. Maar alleen toevalsvondsten zijn legaal. Met die mensen ben ik natuurlijk niet in zee gegaan.''

De grote rivieren vormen een belangrijke grens in de bronstijdcultuur. In de vorm van de bronzen voorwerpen is er niet veel verschil daarin overheersten toendertijd grote internationale trends maar boven de rivieren zijn er wèl wapens te vinden in graven. In het zuiden dus helemaal niet (Bijlen worden overigens vrijwel nergens in graven gevonden, behalve zeer specifieke strijdbijlen.). ``Dat in het zuiden geen bronzen wapens in graven liggen, werd altijd verklaard met het idee dat de bevolking gewoon te arm was. Maar alles bij elkaar genomen zijn er in het zuiden zelfs meer zwaarden gevonden dan in de noordelijke gebieden met de krijgergraven'', vertelt Fontijn.

Fontijn vond ook een verband met ontginningen in de midden-bronstijd, ca 1500 v. Chr. ``Uit pollenonderzoek weten we vrij nauwkeurig wanneer bos werd gekapt. Dan worden ook de eerste grote huizen gebouwd. Er ontstaat een agrarisch cultuurlandschap. Dan is er ook een piek in de depositie van bijlen in de moerassen. Daarna wordt het ook niet minder.''

Maar waarom zouden het niet óók offers aan de goden kunnen zijn?

Fontijn: ``Ik denk dat al die moderne theorieën over rituelen zijn ontstaan om de handelingen voor ons begrijpelijk te maken. De essentie is dat al die wapens, sieraden en bijlen heel kostbaar moeten zijn geweest en dan ineens werden opgegeven. Dat is volkomen irrationeel voor ons. Dus noemen wij het maar een ritueel. En omdat de Romeinse historici Tacitus en Strabo over de Germanen vertellen dat zij in rivieren aan goden offerden, zal het hier ook wel zoiets zijn geweest. Soms kun je er een profane verklaring opplakken: een vergeten voorraad van een smid. Maar dàt is al helemaal onwaarschijnlijk, want wie begraaft er nu een voorraad in een moeras? Al dit soort verklaringen komen voort uit onze manier van denken: het praktisch handelen staat voorop. Maar dat hoeft helemaal niet van toepassing te zijn op een samenleving van duizenden jaren geleden. En in tegenstelling tot wat ik verwachtte, had ik ook weinig aan etnografische en historische parallellen. Want ik realiseerde me na een tijdje dat wat ik hier vind, echt volstrekt uniek is. Het gaat daarbij niet om het plaatsen in moerassen en rivieren, dat deden de Germanen ook. Het unieke van de bronstijd zit in de grote selectiviteit en in de breedte van de zones. Uitgezet op de kaart zijn het complete zones in het landschap: de rivier met moerassen eromheen. Vondsten uit later tijd vind je altijd op één plek, echte cultusplaatsen waar mensen van heinde en verre naar toe trokken.''

U zet zich af tegen de rituele interpretaties. Maar via een omweg komt u toch gewoon weer uit op een ritueel, maar dan als onderdeel van levenscycli?

``Ik heb al die theoriën aan de kant geschoven en gewoon gekeken: wat deden die mensen nu eigenlijk? Als ze honderd keer een zwaard op een bepaald soort plekken in de grond stopten, dan was dat dus kennelijk een betekenisvolle daad. En die zwaarden waren gebruikt, je ziet soms de haksporen van een gevecht. Het gaat daarnaast om honderden bijlen, die ook duidelijk zijn gebruikt, om hout te kappen, om te ontginnen, om huizen te bouwen. Dat zijn heel profane wereldlijke zaken, maar die bijl duikt nu op een een rituele context. Dat klassieke onderscheid tussen rituelen en profaan gebruik lijkt dus helemaal niet zo relevant.

``En dan kom je op een aantal modelletjes. Zoals dat misschien de levenscyclus van mensen relevant is, in het geval van wapens en sieraden. Belangrijk daarbij is dat die wapens in het noorden duidelijk deel van een persoonlijke identiteit zijn, want ze liggen in graven. In het zuiden vind je dezelfde wapens, maar niet in graven. Dus hier hebben mensen die parafernalia kennelijk afgelegd tijdens hun leven en in moeras gelegd. Het was kennelijk een tijdelijke identiteit. Het zijn eenvoudige samenlevingen, maar er waren natuurlijk wel levenscycli. Een jongen wordt een man, oude man. Een meisje wordt vrouw, moeder enzovoorts. Ik weet niet waar in de bronstijd die grensmomenten lagen, maar duidelijk is dat zo'n krijgerstenue bij een bepaald moment hoort, tussen 15 en 40 bijvoorbeeld. Natuurlijk zullen die wapens ook zijn doorgegeven aan zonen, maar als dat vaak zou gebeuren zouden er toch vaker heel versleten wapens worden gevonden.

``Je kan ook een ander model maken. Dat mannen zich tijdelijk voor een bepaald moment een krijgshaftig uiterlijk verschaffen met kleding en wapens en zo. Dan gingen ze vechten en dan legden ze het weer af. Dat lijkt me minder waarschijnschijnlijk. Er is echter één aanwijzing voor: in het plaatsje Pulle, in de Belgische provincie Antwerpen, zijn vijf zwaarden en 8 speerpunten gevonden die in één keer onbruikbaar zijn gemaakt: platgeslagen, omgebogen, in brand gestoken. Dat is een heel apart geval.''

Maar binnen uw theorie blijft er een verschrikkelijk open einde. Want wat bezielde die mensen?

``Ja, dat zullen we dus nooit precies weten. Vooral in de Angelsaksische archeologie is nu de trend om een bijna etnografische voorstelling van zaken te geven. Dan doe je net alsof je door zo'n dorpje loopt en precies weet wat er gebeurt. Ik denk dat we eerlijk moeten zijn en zeggen dat dat gewoon onhaalbaar is. Maar ik ben wel in staat om die deposities over drieduizend jaar in de tijd te volgen. Ik kan zien hoe men toen met een landschap omging. Ik vind het al héél wat dat je kan vertellen dat er zoiets bestond als een selectieve depositie. Dat mensen ideeën hadden over objecten die hen er toe noopten om bepaalde objecten altijd maar op bepaalde plekken achter te laten. Maar inderdaad, het is een bizar ritueel dat wij verder niet kennen.

``Ik denk dat het zo één keer per generatie gebeurde. En dat daarvoor die perifere natte gebieden gebruikt werden moesten ze wéten, dat konden ze niet zien. Er staan geen hunnebedden of grafheuvels, zoals in andere prehistorische `heilige zones'. Het werd kennelijk doorverteld. Dat moet dus heel belangrijk zijn geweest voor hun identiteit. Bij ons is een rivier gewoon een rivier, maar bij hen was dat veel meer.''

David Fontijn, Sacrifical Landscapes. Uitgegeven als Analecta Praehistorica Leidensia 33/34. Te bestellen bij de faculteit Archeologie, Universiteit Leiden.