Winterharde zwiepstaarten

Al in de Romeinse tijd stond de halsbandparkiet bekend als siervogel. Maar zijn roestig geschetter klinkt hier steeds vaker ook buitenshuis. Ontsnapte kooivogels gedijen in parken en plantsoenen.

De zon schijnt, de lucht zindert, de gazons in het Vondelpark zijn druk bezet. De halve stad zit hier vandaag op het gras te picknicken, te lezen of een appeltje te eten. Kinderen voeren de eendjes. Maar waar zijn de halsbandparkieten? ,,Bedoel je gewoon die papegaaien'', vraagt een kaalgeschoren jonge moeder, die met een flesje witbier in de zandbak zit. ,,Die zie ik hier heel vaak. Bij de blauwe theekoepel zie je ze overvliegen. Ze zitten trouwens in de hele stad, ook bij ons in Amsterdam-Noord.''

Bij de theekoepel is geen tafeltje onbezet. Duiven spieden het terras af. De parkbanken zitten vol vogelpoep. ,,De parkieten? Jazeker, die zitten overal, soms hele zwermen'', zegt een blonde man met een transportfiets. ,,Ze zijn er het hele jaar door, en na die strenge vorst zijn het er echt niet minder geworden.''

Daar schiet ineens een gifgroene flits uit de struiken tevoorschijn, scheert over de vijver en klemt zich tegen de stam van een oude berk, precies zoals een specht. Hij rust even uit en weg is-ie weer. Tussen de takken weerklinkt een roestig geschetter. Als je er eenmaal op let, hoor je die roep in het hele park, boven de stemmen van de merel en de tjiftjaf uit. Zijn naam ontleent de vogel aan het lichte halsbandje, dat alleen de mannetjes bezitten. Hij heeft een lijfje zo groot als een merel en, eenmaal volwassen, een lange zwiepstaart.

Het zijn nakomelingen van ontsnapte kooivogels, die zich in stadsparken prima weten te handhaven. Ze eten knoppen en zaden, noten en vruchten. Het publiek voert ze bij met appels en ongepelde pinda's. Volgens het standaardwerk Zeldzame vogels van Nederland is de halsbandparkiet (Psittacula krameri) lid van de papegaaienfamilie. Hij hoort thuis in India en tropisch Afrika. In ons land werd het eerste exemplaar gezien in 1972. In 1978 waren de eerste goed gedocumenteerde broedgevallen. In 2000 werden 300 à 400 broedparen geteld, plus een flink aantal jonge vogels, in totaal zo'n 2.000 halsbandparkieten.

De harde kern zit in Amsterdam en Den Haag, maar ook in Rotterdam, Leiden en Delft, Haarlem en in het Flevopark kom je deze opvallend gekleurde, luidruchtige siervogels steeds vaker tegen. Ze broeden in holtes in bomen. De winterkou lijkt ze niet te deren. ,,Als ze eenmaal een kernpopulatie hebben gevestigd, trekken ze vanzelf naar nieuwe gebieden'', zegt Rob Vogel van de Stichting Vogelonderzoek Nederland (SOVON). ,,Er zit een enorme kolonie in het Ruhrgebied. Daar leven ook monniksparkieten uit Patagonië. Misschien duiken die straks ook in Nederland op.'' In België werden de eerste broedende halsbandparkieten in 1966 gesignaleerd. In Brussel zitten nu grote kolonies, net als in Londen.

SOVON rekent de halsbandparkiet tot de geïntroduceerde exoten: regelmatige broedvogels waarvan alle exemplaren of hun voorouders uit gevangenschap zijn ontsnapt. Tot de geïntroduceerde exoten behoren ook rotsduif, fazant, mandarijneend, zwarte zwaan en de uit Egypte afkomstige nijlgans, die nu kalmpjes ronddobbert in stadsvijvers. Andere kleurrijke nieuwkomers, waarbij het broeden nog niet erg wil lukken, zijn de Chileense flamingo, de rosse stekelstaart, de heilige ibis en de grote, mollige, witte Indische gans.

,,Ik denk dat hun opmars geen goede ontwikkeling is'', zegt Rob Vogel. ,,Die exotische soorten horen hier van nature niet thuis. Ze kunnen in principe een plek in het ecosysteem innemen die voor inheemse vogels bestemd was. De rosse stekelstaart wordt zelfs bestreden, omdat zijn opmars kan leiden tot het uitsterven van de witkopeend. De halsbandparkiet kan inheemse spechten en kauwtjes uit hun hol verdrijven, want zelf hakt hij geen nesthol uit.''

Maar volgens Vogel moet men dat probleem niet overdrijven, want er leven maar weinig spechten in stadsparken. ,,En buiten die parken zal de halsbandparkiet het, zeker in strenge winters, niet redden. Daar wordt hij namelijk niet bijgevoerd en met die felle kleuren is hij voor roofvogels een gemakkelijke prooi. Laat hem maar rustig zijn gang gaan.''