WEGLASEREN VAN DE BRIL LUKT BETER BIJ JONGE MENSEN

Steeds meer bijziende of vérziende mensen laten hun ogen tegenwoordig corrigeren met een laserbehandeling. Maar niet iedereen kan daarna meteen zonder bril, zo blijkt uit een onderzoek van Amerikaanse oogartsen. In ruim tien procent van de gevallen is een tweede lasercorrectie nodig. De kans daarop is het grootst als iemand sterk bijziend is, een onregelmatige oogbol heeft, of ouder is dan veertig jaar.

Bij bijziendheid (myopie) zijn de ogen te bol, waardoor ze het licht te sterk breken. Bij een oog dat in de verte kijkt wordt het scherpste beeld dan vóór het netvlies geprojecteerd. Óp het netvlies is het beeld dan alweer onscherp. Brillenglazen of contactlenzen met negatieve dioptrie verleggen dat beeld naar achteren. Hetzelfde effect is te bereiken door met een laser de oogbol iets af te vlakken. Daarmee kan ook een onregelmatig hoornvlies (astigmatisme) en een verziendheid (hypermetropie) gecorrigeerd worden.

Tegenwoordig snijdt men meestal eerst het oppervlakkige epitheellaagje op de oogbol als een flapje los. Daarna kan de laser direct op het daaronder gelegen hoornvlies worden gericht. De oogarts slijpt voorzichtig bij, volgens een met de computer bepaald patroon. Na afloop legt hij het epitheelflapje zo goed mogelijk terug, waardoor het oog meteen weer beschermd is. Daardoor levert deze zogenoemde LASIK-behandeling minder kans op irritatie en minder complicaties dan wanneer het oog direct aan de buitenkant wordt bijgewerkt. In Nederland zijn inmiddels bij zo'n 15.000 mensen de ogen met een laser gecorrigeerd.

Lasercorrectie is niet altijd afdoende, maar hoeveel mensen ook na de ingreep nog een bril nodig hadden was nooit goed gemeten. Artsen van de gespecialiseerde oogkliniek van het Hackensack University Medical Center in de Amerikaanse staat New Jersey hebben bij 1308 patiënten achteraf de resultaten van een LASIK-behandeling geïnventariseerd. In totaal ging het om 2485 `ogen', voor 93% van bijzienden. Het bleek dat 288 ogen van 233 patiënten (11,5%) voor een tweede keer behandeld moesten worden, meestal binnen het jaar. De kans op een herbehandeling was het grootst bij een onregelmatig hoornvlies (86 ogen), bij sterke bijziendheid en bij mensen ouder dan 40 jaar. Wat betreft de leeftijd: bij vergelijkbare ernst van de bijziendheid moest van de veertigplussers 14% opnieuw worden behandeld, vergeleken met 5% van de 18- tot 30-jarigen en 9% van de 30- tot 40-jarigen. Bij bijna alle herhalingsbehandelingen was het gelukkig wel mogelijk het oorspronkelijke epitheelflapje weer op te lichten, zodat er geen nieuwe snede gemaakt hoefde te worden (Ophthalmology 2003; 110: 748-54).

De Amerikanen hebben bij hun inventarisatie alleen patiënten meegeteld die een herbehandeling nodig hadden omdat ze nog steeds niet zonder bril konden zien. Niet meegeteld zijn mensen die een herbehandeling nodig hadden wegens échte complicaties. Grote problemen zoals littekenvorming of lensvertroebeling zijn weliswaar zeldzaam (minder dan 0,1%) maar kleine bijwerkingen van een LASIK-behandeling, zoals droge ogen of problemen met het zien 's nachts, komen bij zo'n tien procent voor.