De museumrat spreekt

Als ik op de vrije zaterdagmiddag in de jaren dertig weer thuiskwam van een bezoek aan De Lakenhal, het Museum van Oudheden of het Museum voor Volkenkunde, keek mijn oudste broer me vaak onderzoekend aan en zei spottend: ,,Zo, museumratje!''

Het lijkt misschien raadselachtig dat hij met zekerheid wist waar ik de hele middag had doorgebracht, maar het straalde gewoon van me af, alsof er een kolenvuur achter mijn wangen gloeide. Zoals Franz Schubert componeerde: ,,Ich meint, es müsst in meinen Augen stehn, Auf meinen Wangen müsst mans brennen sehn.'' Je zag dat de opwinding nog niet was weggeëbd over het aanschouwen van het sappig geschilderde groen en oker van de forse bladeren van de waterzuring op een stilleven van Floris Verster, de fonkeling van het door de eeuwen gedempte blauw en groen van het Romeinse glas, het zo schitterend angstaanjagend door Engebrechtsz vel over bot geschilderde kadaver van Adam waaruit de wortels van de boom des levens alle sappen lijken te hebben weggezogen, de glans van een gouden kamerscherm waar, met de snelheid van het penseel, een paard in galop overheen davert.

Ik kan me niet herinneren dat ik er ooit kinderen van mijn leeftijd heb zien rondlopen, zelfs niet onder de hoede van hun ouders. En omdat ik een zeker medelijden met mijn vrienden had, die al die opwindende schoonheid moesten missen, nam ik ze een keer mee naar het Museum voor Volkenkunde. Dat had ik beter kunnen laten. Want omdat ze christelijk opgevoed waren hadden ze geen enkel respect voor de godsdienst en cultuur van andere beschavingen, zodat binnen de kortste keren bij een tafereel van een moskee, bij vrome moslims die met hun gelaat naar het oosten gekeerd lagen te bidden, de gewaden tot aan de schouder omhoog werden gesjord, zodat ze in hun armelijke gipsen achterwerken onteerd ter aarde lagen. En een Afrikaans vruchtbaarheidsbeeld kreeg onder stompzinnig gegiechel een elastiekje om zijn erectie als een hamersteel geschoven met een dotje Wrigley-kauwgom op zijn eikel. Dat was dus eens maar nooit weer!

Het valt te betreuren dat in de oorlog, toen ik op de Leidse schilder- en tekenacademie ging studeren en een meer dan op de voortplanting gerichte belangstelling kreeg voor het vrouwelijk schoon, de museumkaart nog niet bestond. Dan had de selectie al voor het betreden van de tempel der schoonheid plaatsgevonden. Nu kregen je artistieke gevoelens vaak de volle laag als je je uitverkorene bij een verfijnd Soeng-schaaltje hoorde mompelen: ,,Ik wist niet dat die ouwe Chinezen al rookten.'' Of als je haar terwijl ze haar pinnige blik, alsof ze een schoothondje aan het vlooien was, liet gaan over de naakten op het drieluik van Lucas van Leyden die door vervaarlijke duivels ter helle gedreven werden, hoorde neuriën dat Loesje het snoesje was van de drummer van de band. Dan was de lust, ondanks haar ontluikende borsten en oogstrelende billen, volkomen geblust. Geen Venus op klompen!

Hoe verder de oorlog vorderde, hoe stiller het werd in de musea. Iedereen was, als de jagers en verzamelaars uit vroeger tijden, bezig met het vergaren van het dagelijks brood, dat voornamelijk bestond uit tulpenbollen en suikerbieten. Op den duur was ik de enige bezoeker. Ik kreeg wel eens de indruk dat de portier van het Volkenkundig Museum pas de deuren ontsloot als hij mij door de Steenstraat aan zag komen. Op een keer ben ik, omdat ik voor sluitingstijd nog even een bepaald Asmatschild wilde bekijken, met zoveel drift dwars door een razzia gelopen, dat de Duitse soldaten uit pure verbazing vergaten mij aan te houden en om mijn persoonsbewijs te vragen. Of misschien vermoedden ze wel dat ik met zoveel vaart eerder de Hermitage zou bereiken dan zij Stalingrad.

Toen ik na de oorlog op de Haagse Academie van Beeldende Kunsten en op de Rijksacademie in Amsterdam ging studeren, kregen we vanzelfsprekend een museumkaart, waar ik zoveel gebruik van maakte dat de suppoosten, als ik mijn kaart tevoorschijn wilde halen met een hoofdbeweging aangaven dat ik zo kon doorlopen. Het fantastische was dat je, als je na je werk een halfuurtje over had, even kon kijken naar de weerspiegeling van Delft, het geel en rood op het gevederte van de distelvink of wegdromen bij de uitdagende blik van Maria Magdalena. En nu, met de museumkaart, kan iedereen van dat voorrecht genieten.

En nu, met de museumkaart, kan iedereen van dat voorrecht genieten. Dat aan mij het eerste exemplaar van de vernieuwde museumkaart is aangeboden vind ik een grote eer. Maar aangezien, zoals uit het voorgaande blijkt, geen museum veilig voor mij was, heb ik die nieuwe kaart ook ten volle verdiend.

Jan Wolkers sprak bovenstaande tekst uit bij de presentatie van de nieuwe museumjaarkaart. Daarop staat zijn werk afgebeeld.