De cursieve bal

Er is veel in de wereld waar een mens geen weet van heeft. Maar weet je het eenmaal, dan kun je je niet meer voorstellen dat je ooit zonder die kennis hebt geleefd. Het was op 2 januari 1985, tegen een uur of elf 's morgens. Ik bevond mij op het Bureau Basisvoorziening Tekstedities te Den Haag. Ik had mij daar die ochtend gemeld om te beginnen met de voorbereidingen voor een uitgave van de nagelaten gedichten van S. Vestdijk – en wel volgens de nieuwste inzichten van, zoals dat heette, de moderne editietechniek. Dozen sjouwen, stof wegblazen, blaadjes op volgorde leggen – dat soort werk.

Ik was koud twee uur in dienst toen mijn nieuwe collega Oege mij een drukproef van een nog te publiceren artikel voorlegde. Het zag er uit als foutloze kopij. Maar ergens was een inspringing vergeten, zo wees hij mij. Op één plek moesten de l en de r nog worden omgewisseld. Twee afbrekingstekens zouden door een kastlijntje moeten worden vervangen. Ik knikte goedkeurend en gaf hem de kopij terug. Als je goed gekeken had, zei Oege, had je kunnen zien dat er nog wat aan mankeerde. Kijk, daar, in de vijfde regel op de derde pagina, werd aan het eind van de zin een citaat gegeven. Het citaat was gecursiveerd. Het was een citaat van Couperus, en zoals wel vaker bij Couperus eindigde het met drie losse puntjes. Na het Couperus-citaat eindigde de zin – met een punt, zoals alle zinnen. We zagen dus vier punten op een rij, in de vijfde regel op de derde pagina. Ik moest lang naar de punten kijken, maar kon er niets onreglementairs aan ontdekken. Mooie punten, vier op een rij, regelmatige onderlinge afstand, niks mis mee. Maar als je onderweg goed opgelet had, zoals Oege, dan had je kunnen zien dat er in dit lettertype een miniem, bijna niet te benoemen verschil bestond tussen de schuine en de rechte punt. Als je echt wilde kon je zien dat de cursieve punt iets fragieler was, enigszins naar een ruitvorm neigde en misschien ook wel iets lichter van kleur was. Wat had de lompe zetter hier nu gedaan? Hij had gewoon vier cursieve punten achter elkaar gezet, terwijl toch duidelijk was dat de vierde en laatste punt geen cursieve punt mocht zijn, maar vervangen moest worden door een punt in romein.

Met open mond keek ik nog eens naar het drukproefvel. Voor mijn ogen had zich een klein wonder voltrokken. Ik was iets gaan zien wat normale mensen niet zien. Voor het blote oog was er niets veranderd, maar voor de kenner wel: er was hier een enorme fout verschenen. De punt in kwestie zwol op tot een tennisbal. Het voelde als een inwijding, maar ik begreep ook meteen dat ik op het gebied van de moderne editietechniek nog veel te leren had.

Voor de dichter Jan Hanlo was deze aandacht voor leestekens vanzelfsprekend. Hij hechtte erg aan zijn komma's, haakjes, apostroffen, beletseltekens en punten. Hij maakte onderscheid tussen drie en vier puntjes, en ook wel tussen zes en zeven – en soms moesten in de drukproef de drie puntjes toch maar weer vervangen worden door twee. En ook Hanlo vond de punt maar een lomp ding. Bernlef heeft wel eens verteld dat Hanlo hem opbelde om te vragen wat hij van `een geschaduwde punt' vond. Hanlo had ergens achter een versregel een leesteken nodig, waarvoor een reguliere komma, punt of puntkomma niet voldeden. `Een inademende, geen uitademende punt, zoiets moet hem voor de geest hebben gestaan,' schreef Bernlef. En Hanlo had hem gevraagd of het al te gek zou zijn om de drukkerij te verzoeken de bewuste punt in het zetsel iets af te vijlen. `Bij mijn weten is dat ook gebeurd.'

Op deze plaats moet ook de dichter Frans Vogel genoemd worden, lange tijd woonachtig geweest in de Puntstraat te Rotterdam. Mooi adres voor een dichter: Puntstraat 74 B. Thans gesloopt. Er is een foto van Vogel, voor zijn huis, met achter hem de tekst van zijn `Puntdicht', met schoolkrijt geschreven op de bakstenen van de buitenmuur. Mooi contrast tussen grof schrijfmateriaal, ruwe ondergrond en allerkleinst onderwerp: `Hetzij in romein/ dan wel in cursief,/ de punt blijft zichzelf:/ steeds rond en massief.' Dat mag waar zijn, maar voor wie eenmaal het verschil tussen de cursieve en de romeinse punt heeft leren waarderen is geen enkele punt meer gelijk aan een andere. En afhankelijk van het perspectief kunnen ze voor het geestesoog van gedaante veranderen, ineenschrompelen en uitdijen – van kleine cursieve punt tot erwt tot knikker tot tennisbal, en weer terug.

In een van zijn gedichten beschrijft Gerrit Komrij niets meer of minder dan het einde der tijden. Heel nuchter, alsof er geen helpen meer aan is – en zo zal het vermoedelijk ook wel zijn: `De tijd is op. Wat onder was werd boven/ en het glazuur sprong van de eeuwigheid./ De bodem trilt. We leven in een oven./ Nog even en we zijn het vuur ook kwijt.' Heet zal het zijn, en droog, zo voorspelt de dichter. De grote wereldbol zal krimpen en zowat in zichzelf verdwijnen, alvorens zichzelf te lanceren: `Platvissen zwemmen nog door stilstaand water,/ ze drinken alles leeg en vallen om./ De wereld droogt en krimpt. Een laatste krater/ haalt adem en lanceert haar als een bom.' Of het natuurkundig helemaal klopt weet ik niet, maar dat zien we te zijner tijd dan wel. De beelden zijn geweldig. Dit is wat er volgt op de lancering van de aardbolbom, in de laatste regels van het gedicht: `Een heel eind verder zal, in een heelal/ waar vlinders dansen en waar bijen gonzen,/ de aarde die van ons was als een bal/ geruisloos op een verend grasveld plonzen.' Na alle omkeringen blijkt ook deze bom nog weer in zijn tegendeel te kunnen verkeren: de bom wordt elders, een paar heelallen verder, een stil en vriendelijk stuiterend balletje dat in paradijselijke omstandigheden op een gazon belandt. Een verrassend beeld, en een sterk sprekend beeld ook, als in een reclamefilmpje. Mooi is ook het bijbehorende woord `plonzen'. Volgens de woordenboeken heb je daarvoor altijd water nodig, maar Komrij laat een bal hier weloverwogen in een verend grasveld plonzen – en dan zien we het veld vanzelf lichtjes meedeinen, als een waterspiegel in beroering.

Het gedicht beschrijft het einde van onze tijd en van onze wereld, maar ook meteen een nieuw begin. Het is het laatste gedicht van de bundel De os op de klokketoren (1981), en het heet `Begin', zoals er die bundel wel meer op zijn kop staat. Eindpunt is meteen ook weer beginpunt – zo'n soort opvatting van het leven zou je er wel uit kunnen afleiden. Eeuwige kringloop, eeuwig nieuw begin, eeuwige herhaling. Oude wereldbol keert terug als nieuw huppelballetje. En ergens, in een nieuwe era, een paar melkweggen verderop, ligt iemand in een tuin loom onder een boom en meent tussen de bijen en de vlinders door opeens een bal het gazon op te zien stuiteren. Achter hem kijkt iemand mee, fronsend, en die ander zal straks gaan opmerken dat je, als je goed kijkt, kunt zien dat dit geen gewone bal is, maar een cursieve.

    • Guus Middag