Oude zakken, nieuwe regels

Vandaag jubileert PUM, het programma dat gepensioneerde managers naar ontwikkelings- landen zendt. Het verhaal van Hans van Ditzhuyzen, `een oude zak die naar een zakkenfabriek in Zambia ging'.

Wat was mijn vader daar graag bij geweest! Vandaag vindt in de Ridderzaal het 25-jarig jubileum plaats van de PUM – en mijn vader, overleden in 1995, was een rasechte Pummer. Wat is PUM? De letters staan voor Programma Uitzending Managers naar ontwikkelingslanden. Het is in 1978 door de ondernemersorganisaties NCW en VNO opgezet met het doel de kennis en ervaring van gepensioneerde managers over te dragen aan bedrijven en instellingen in ontwikkelingslanden.

Reis- en verblijfkosten van deze vrijwilligers, sindsdien Pummers genoemd, worden vergoed. Ze krijgen geen salaris, alleen zakgeld. In 1979 werden de eerste vier ex-managers uitgezonden. Het was meteen een groot succes. Nu, 25 jaar later, worden er jaarlijks zo'n tweeduizend projecten uitgevoerd.

Mijn vader, oud-bedrijfsingenieur van de AKZO in Arnhem, meldde zich in 1987 als 73-jarige aan. Hij werd daarop voor een aantal maanden aangesteld als `technical manager' in een fabriek van kunstvezels en jutezakken in Kabwe (Zambia). De bedoeling was dat hij de slechte productie van het circa 200 werknemers tellende bedrijf zou opvijzelen.

Zijn belevenissen als Pummer in Zambia heeft hij gelukkig opgeschreven, zodat ik hem hier rechtstreeks kan citeren. De eerste kennismaking met de bedrijfshallen was niet erg opwekkend. Van Ditzhuyzen: ,,De jutezakkenfabriek kon niet werken, want men had vergeten tijdig de grondstof uit Bangladesh te bestellen. Een veel voorkomend probleem, zoals ik later merkte.''

De kunstvezelfabriek bood een nog treuriger aanblik: ,,Het was er, kort gezegd, een grote bende. In de grote hal had men massa's oude machineonderdelen gewoon neergesmeten, zodat men er niet eens meer kon lopen. De apparatuur, dertien jaar oud, was op zich wel goed, maar totaal niet onderhouden. Bovendien waren 18 van de 78 rondweefmachines `cannibalized': de bruikbare onderdelen waren eruit gehaald om daarmee de rest draaiende te houden.''

Mijn vader had al gauw door dat de werknemers geen idee hadden hoe ze met de machines moesten werken. Als er bijvoorbeeld olie uit een machine kwam, zetten zij er een bakje onder. Als dat vol was, haalden ze het weg en zetten er een nieuw onder. Maar natuurlijk was op een gegeven moment de olie op en dan liep de machine vast. Ze gebruikten ook veel vuile spoelen, waardoor de motoren warm liepen. Dat leverde weer extra slijtage op. Van Ditzhuyzen: ,,Ze begrepen niet wat ze verkeerd deden – en ik probeerde dat uit te leggen.''

De Pummer maakte een lijst van eenvoudige zaken als instrumenten, gereedschap en dergelijke die de fabriek kon gebruiken. Verder probeerde hij het belang van orde en netheid duidelijk te maken. Van Ditzhuyzen: ,,Dat leverde resultaten op. `Everything is moving', riep de baas van de fabriekshal me opgewekt toe, terwijl de werknemers vlijtig onderdelen aan het sorteren en opruimen waren.'' Over het bitter noodzakelijke onderhoud en een andere werkwijze liet mijn vader een rapport schrijven; ook maakte hij een begin met de vereiste planning en organisatie.

Ofschoon het allemaal niet gemakkelijk ging, was hij geestdriftig over zijn PUM-werk: ,,Het grote voordeel was, dat ik direct en ter plaatse mijn eigen ervaring kon inbrengen. Als oud-ENKA-ingenieur (ENKA = Nederlandsche Kunstzijdefabriek, voorloper van de AKZO) wist ik precies wat deze fabriek nodig had. Ook heb ik ervoor gezorgd dat de directeur van de Kabwe-fabriek met twee assistenten met steun van de PUM naar Ede kon reizen, om met eigen ogen de werkwijze van de ENKA-fabriek daar te zien.''

Bij zijn vertrek somde mijn vader de nodige verbeteringen nog eens duidelijk op. Bovendien beloofde hij terug te komen – op voorwaarde dat alle door hem voorgestelde maatregelen zouden worden genomen. Inderdaad werd hij een half jaar later, in 1988, voor de tweede keer naar Zambia uitgezonden. Hij was aangenaam verrast over de vooruitgang: ,,Ze hadden hun huiswerk goed gedaan! De hallen waren opgeruimd en geverfd. Ook was een nieuwe, beduidend voortvarender chef benoemd. Wat me erg goed deed, was dat de werknemers, toen ik keurend door de fabriek liep, me toeriepen: `Fijn dat u er weer bent'.''

Het is nu vijftien jaar later. Mijn vader overleed in 1995 – maar `zijn' fabriek staat er nog. Wel zijn helaas spoedig na zijn vertrek twee uitstekende, mede door mijn vader opgeleide managers aan aids bezweken. Over de huidige situatie hoorde ik van de PUM-contactpersoon in de fabriek (het telefoonnummer van mijn vader geldt nog!), dat er nieuwe machines zijn en dat het goed gaat met de productie. ,,Maar'', zegt hij, ,,we hebben nog steeds training nodig in productieplanning en preventief onderhoud.''