In handen van de vijand

In 1876 leidde George Armstrong Custer de Zevende Cavalerie tegen de, op initiatief van Sitting Bull gevormde, alliantie van Sioux en Cheyennes. Custer was een eigengereid man. Tegen de wil van zijn generaal, Alfred Terry, besloot hij 's ochtends op 25 juni de Little Big Horn vallei aan te vallen. Hij wilde niet, zoals Terry's opdracht luidde, wachten op de komst van de infanterie. Een cruciale fout. De indianen omsingelden Custers regiment en versloegen het. Custer vond de dood om sindsdien zowel bewonderd als verguisd te worden. Zo werd hij in de film They Died with Their Boots on van Raoul Walsh, uit 1941, door Errol Flynn neergezet als de ultieme Amerikaanse held. In de film Little big man van Arthur Penn werd hij afgeschilderd als een narcistisch gestoorde moordenaar.

Custer blijft de Amerikanen fascineren. Nog altijd is hij een van de meest bestudeerde militairen van zijn tijd. Ook de slag bij Little Big Horn die bekend is komen te slaan als Custers last stand, blijft een referentiepunt voor de Amerikanen, zoals publicist Dee Brown constateerde. Jaarlijks bezoeken zij in groten getale Little Big Horn Valley. Als er iets bestaat als een collectief nationaal historisch bewustzijn, dan maakt Custer daar in de Verenigde Staten zeker deel van uit. Tekenend daarvoor is de opmerking van sergeant James Riley, een van de onlangs bevrijde Amerikaanse krijgsgevangenen, bij zijn terugkomst uit Irak. Op de vraag hoe hij en de andere militaire gevangen waren genomen antwoordde hij, zoals in de Washington Post werd geciteerd: ,,We waren als Custer. We waren omsingeld. We hadden geen wapens die het deden en konden zelfs geen bajonet-uitval doen. We zouden zijn neergemaaid. We hadden geen keus, meneer.''

We waren als Custer. Wat betekent een dergelijke verwijzing? Wat wilde de sergeant, volgens de Washington Post nog steeds `in shock' daarmee zeggen? In ieder geval dat sprake was van overmacht. Het was niet mogelijk uit de handen van de vijand te blijven en het kon de militairen dus niet aangerekend worden dat ze zich overgaven en uiteindelijk in de positie verkeerden dat zij als vernederde doodsbange gevangenen werden gefilmd. Hadden zij zich niet overgegeven, dan waren ze, zoals Custer, met hun laarzen aan gestorven en dat is misschien wat veel gevraagd voor gewone jongens en meisjes.

Tegelijkertijd dient de verwijzing naar Custers last stand om te verduidelijken met wat voor vijand men van doen had. Of de fellow Americans zich wel willen realiseren dat men niet door gewone mensen omsingeld was maar door exotische, primitieve onmenselijke wezens die werkelijk tot alles in staat zijn. Een soort meedogenloze indianen zoals die in inmiddels al lang niet meer politiek correcte westerns en pulpstripboeken figureren. En dat ze meedogenloos zouden zijn, was voor soldaat Miller wel zeker. ,,Ik dacht dat ze me zouden doden. Dat was het eerste dat ik vroeg toen ze me gevangen namen: gaan jullie me doden? Ze zeiden van niet maar ik geloofde hen nog steeds niet.'' Ook de uit het ziekenhuis bevrijde soldaat Lynch acht de Irakezen niet in staat tot daadwerkelijke medemenselijkheid. ,,Meer dan eens zei een dokter dat ze goed voor me wilden zorgen en aan mij wilden tonen dat het Iraakse volk humaniteit kende. Ik waardeer de zorg die ik heb gekregen maar ik weet ook dat er een reden achter zat. Ze gaven me geen zorg alleen om de menselijkheid ervan.''

Echt menselijk zijn de Irakezen in de ogen van de ex-krijgsgevangenen dus niet. Het aanhalen Custers last stand dient om dit te onderstrepen. Zo ook de vergelijking die één van bevrijde gevangenen maakte met een andere legendarische figuur uit zijn geschiedenis, de Amerikaanse krijgsgevangene in Vietnam. ,,Hoe is het mogelijk dat zij het zo lang hebben uitgehouden, dat zou mij nooit gelukt zijn'', verzuchtte één van de bevrijde militairen.

De Amerikaanse krijgsgevangenen van deze oorlog zijn zeker anders dan krijgsgevangenen in Vietnam. Althans de beelden die van hen en door hen worden geschapen verschillen sterk. Over deze ontwikkeling schreef publicist David Greenberg een intrigerend essay onder de titel The POW (Prisoner of War) in the American Imagination. Greenberg schetst hoe bij iedere oorlog een ander beeld van de Amerikaanse krijgsgevangene ontstaat en daarmee ook een ander vijandbeeld en een daarbij behorende angst voor de vijand. Tijdens de oorlog in Korea dacht men dat de krijgsgevangenen bloot stonden aan het gevaar van brainwashing. Ze zouden met communistische propaganda worden overspoeld en uiteindelijk helemaal van wereldbeeld en politieke opvattingen veranderen. Dat veel Amerikanen nooit meer terugkeerden ze waren dood – bevestigde deze angst. Ze zouden zijn overgelopen. De Vietnam-oorlog bracht een ander beeld met zich mee. Om tegenwicht te bieden aan alles wat bekend werd over de aldaar door Amerikanen begane oorlogsmisdaden, werd de sympathieke Amerikaanse krijgsgevangene geboren. Een publiciteitsoffensief, onder anderen gefinancierd door Ross Perrot, droeg bij aan deze transformatie. Amerikaanse krijgsgevangenen werden afgeschilderd als heroïsche, masculiene, romantische slachtoffers.

Wat voor beeld bestaat er nu over de krijgsgevangenen van de oorlog in Irak? Greenberg meent dat het vooral een kwetsbaar, vrouwelijk beeld is. Er zijn meer vrouwen aan het front en ze worden ook bekend. Rhonda Cornum door haar boek over seksueel misbruik tijdens haar krijgsgevangenschap gedurende de Eerste Golfoorlog en nu soldaat Lynch door een spectaculaire ontsnapping uit het ziekenhuis. Deze verhalen lijken volgens Greenberg sterk op de oudste verhalen over krijgsgevangenen uit Amerika, het genre van de captivity tales uit de koloniale tijd, waarin erop los gefantaseerd werd over vrouwen die door indianen werden gevangen genomen en hard moesten strijden om hun geloof in God en hun maagdelijkheid te behouden. Het valt te betwijfelen of het beeld van de huidige krijgsgevangene inderdaad zo feminien is. Maar de analogie van Irakezen en de indianen in de rol van irrationele, gevaarlijke, onmenselijke, plunderende barbaren is duidelijk. Dit leidt uiteindelijk tot een altijd bruikbaar beeld dat lang voor de tijd van Custer bestond en niet alleen is voorbehouden aan Amerikanen: Wij zijn mensen, de vijand is dat niet.