De derde partner

Het debat in de Tweede Kamer over de mislukte formatiebesprekingen tussen CDA en PvdA heeft weinig nieuwe gezichtspunten opgeleverd. Er was slechts de bevestiging dat lijmen van de vorige week ontstane breuk geen enkele zin heeft. Het CDA kan zich weer tot de VVD wenden en samen moeten deze partijen nu op zoek naar een derde partner om de in het parlement benodigde meerderheid te verkrijgen.

Over de vraag waar en hoe het is misgegaan in de formatie bood het Kamerdebat van gisteren weinig uitsluitsel. Dat blijft toch in hoge mate onbevredigend. Vanaf 5 februari hebben CDA en PvdA onder leiding van twee informateurs met elkaar om de tafel gezeten. Dat gebeurde volgens de beste tradities van de jaren vijftig: in alle beslotenheid. Het waren louter sfeertekeningen die zo nu en dan naar buiten kwamen. Hoogst onbetrouwbare bovendien, zoals de uiteindelijke uitkomst heeft aangetoond. Daar kwamen vorige week na de definitieve breuk nog de persoonlijke impressies van de direct betrokken onderhandelaars bij. Zoals GroenLinks-fractievoorzitter Halsema gisteren terecht in het debat opmerkte: teksten die niet zouden misstaan in het zelfhulpboek `hoe overwin ik de echtscheiding'.

De echte stukken waarop de zaak gebroken is, blijven ondertussen geheim. Pas als de kabinetsformatie helemaal is afgerond, zullen de relevante documenten worden geopenbaard, zo hebben CDA en PvdA en de informateurs besloten. Met andere woorden: het debat mag hierover pas ontstaan als uiteindelijk een regeringscoalitie in het zadel zit. Vanuit de optiek van onderhandelende partijen is dit misschien begrijpelijk, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Er is ook nog zoiets als een publiek belang.

Inmiddels is vandaag met opnieuw de gang van de fractievoorzitters naar de koningin een volgende fase van de formatie ingetreden. CDA en VVD willen samen verder en hebben te kennen gegeven dat twee informateurs, een van het CDA en een van de VVD, op zoek zullen moeten gaan naar een derde partij waarmee een parlementair meerderheidskabinet kan worden gevormd. Niet zonder betekenis is de wens van VVD-leider Zalm dat het ook om een stabiel meerderheidskabinet moet gaan.

In het eerste kabinet Balkenende bleek de LPF de instabiele factor bij uitstek. De na de verkiezingen van 22 januari gedecimeerde LPF-fractie maakt een iets hechtere indruk. Dat neemt niet weg dat achter die fractie ook nog een partij staat waarin, behalve wellicht het onroerend goed, weinig gemeenschappelijks valt te ontdekken. Hernieuwing van de samenwerking van CDA en VVD met de LPF zou dan ook niet alleen ongeloofwaardig zijn, maar tevens onverstandig als gezocht wordt naar stabiliteit.

De tweede mogelijkheid, steun van de Christenunie en SGP aan een CDA/VVD-combinatie, is vooralsnog louter theoretisch. De meerderheid afhankelijk maken van twee verschillend orthodox christelijke partijen is, afgezien van de inhoudelijke problemen, ook geen opmaat voor een stabiel parlementair kabinet.

Resteert D66. Deze partij staat nu voor de keuze vanuit welke positie gerecupereerd moet worden: als een van de vele oppositiepartijen of als zeer kleine, maar wel cruciale regeringspartij. Zo bezien lijkt de keuze een vrij eenvoudige. Vaststaat dat D66 zeer veel zal moeten overwinnen om tot een coalitie van CDA en VVD toe te treden. Daar staat tegenover dat pragmatisme het enige beginsel is waar de partij werkelijk aan kan worden gehouden. De prijs die CDA en VVD voor D66 willen betalen zal de komende dagen bepaald worden. D66 kan het een en ander eisen. Maar bovenal zal de partij verantwoordelijkheidszin moeten tonen. Een coalitie bestaande uit CDA, VVD en D66 is na alles wat de afgelopen maanden gebeurd is, de enige reeële mogelijkheid.