Plunderingen

EEN BEELD VAN EEN Babylonische vorst heeft 3.700 jaar van oorlogen, veroveringen en vandalisme overleefd, maar afgelopen weekeinde is het in gruzelementen geslagen. Plunderaars trokken het Nationale Museum in Bagdad binnen, sleepten kostbaarheden die ze konden dragen met zich mee en vernielden de beelden. Elders in Bagdad ging de nationale bibliotheek in vlammen op. De schade aan het culturele erfgoed van de mensheid is onherstelbaar: Tweestromenland – het land tussen de Eufraat en de Tigris – was de bakermat van de beschaving en Irak is een archeologische schatkamer.

Niet alleen kunstschatten zijn ten prooi gevallen aan vernielingen. Zodra het regime was gevallen, trok de bevolking in de Iraakse steden plunderend en brandschattend door de straten. De paleizen van Saddam en zijn familie, overheidsgebouwen en partijkantoren van de Ba'ath werden leeggeroofd, en ook huizen, winkels, hotels, ziekenhuizen en scholen. In de schemerzone tussen verjaagd regime en nog niet geïnstalleerd gezag was de anarchie compleet. In bloedige afrekeningen nam het volk wraak op de kleine vissen van het regime. Onderdrukte tegenstellingen tussen stromingen van de shi'itische moslims kwamen aan het licht in de stad Najaf, waar de shi'itische leider Abdul Majid al-Khoei door rivaliserende geloofsgenoten werd vermoord.

De coalitietroepen leken overrompeld. Ze hadden gerekend op uitingen van feestvreugde, niet op plunderingen. De Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld reageerde laconiek. Hij zei dat de chaos een uiting van de volkswoede was, een uitvloeisel van het wegvallen van de dictatuur. Het zou vanzelf wel minder worden. Inmiddels is men ter plaatse begonnen orde op zaken te stellen. Maar de Amerikanen zijn voor herstel van het gezag afhankelijk van de dienaren van het oude regime. Ieder gezagsdrager heeft een band gehad met het bewind van Saddam en het is onmogelijk ze allemaal, op zo korte termijn, te screenen.

PLUNDEREN IN OORLOGEN is van alle tijden. In de geschiedenis gingen gewoonlijk de overwinnaars zich te buiten aan het roven van de rijkdommen van een veroverd volk. In Irak beperken de coalitietroepen zich tot souvenirs en slaat de lokale bevolking aan het roven. De onderdrukking, de opgekropte haat, de opzichtige weelde van Saddams paleizen, de schrijnende armoede van de bevolking, de afwezigheid van elektriciteit en water zijn verklaringen maar geen rechtvaardigingen. Het valt te begrijpen dat de coalitietroepen niet opgedragen werd om op mensen met hun verworven buit te schieten, maar ze hadden wel moeten proberen de orde te handhaven. Voor het Nationaal Museum, de bibliotheek, archeologische plekken en heilige plaatsen hadden onmiddellijk soldaten met tanks moeten staan om plundering te voorkomen. Dan had het erfgoed van de mensheid, dat de bombardementen ongeschonden was doorgekomen, de ongerichte volkswoede in de directe nasleep van deze oorlog ook overleefd.