Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Onderwijs

LATIJN IS NIET NUTTIG VOOR ANDERE VAKKEN

Het leren van Frans als vreemde taal is een betere voorbereiding op het leren van Spaans dan het leren van Latijn. Dit blijkt uit een Duits onderzoek onder 50 deelnemers aan een cursus Spaans aan de universiteit van Erlangen Nuremberg: `In search of the benefits of learning latin' (Journal of Educational Psychology, maart).

Dezelfde onderzoekers, Ludwig Haag en Elsbeth Stern, hadden een paar jaar geleden al vastgesteld dat bij Duitse middelbare scholieren het leren van Latijn ten opzichte van het leren van Engels ook al niet leidt tot betere prestaties in wiskunde, logisch rederen of tekstbegrip. Het enige transfer-effect van Latijn naar een ander domein dat ze toen vonden was dat leerlingen met Latijn in hun pakket gemakkelijker verschillende korte (Duitse) zinnen kunnnen combineren tot één complexe zin en ook sneller grammaticale fouten uit een Duitse zinnen kunnen halen (Zeitschrift für Pädagogische Psychologie 14, 2000).

De vaststelling dat het leren van Latijn eigenlijk vooral nuttig is voor het leren van Latijn is geen triviale. In de onderwijspsychologie wordt altijd veel verwacht van het transfer-effect: toepassen van verworven vaardigheden uit het ene vak naar het andere. Wiskunde zou kunnen leiden tot logischer denken in andere verbanden, geschiedenis wellicht tot een groter vermogen tot relativeren. De rol van Latijn in het maatschappelijke leven is eigenlijk al sinds de zeventiende eeuw op zijn retour maar sinds de negentiende eeuw heeft het wèl een ijzersterke positie in de hogere vormen van voortgezet onderwijs, in Duitsland en Nederland zelfs in het `eigen' schooltype van het Gymnasium. Traditioneel worden er altijd drie belangrijke argumenten voor gebruikt. De eerste is het meest direct: Latijn zou inzicht geven in de wortels van de westerse Cultuur, in casu de klassieke Latijnse teksten. Maar Latijn zou ook `het verstand' scherpen en leiden tot betere leer- en redeneerroutines. Ook zou het taalgevoel beter worden van Latijn.

Al in 1923 stelde E.L. Thorndike vast dat Latijn op de middelbare school niet leidde tot betere prestaties in de natuurwetenschappen in het hoger onderwijs, maar volgens Haag en Stern is er verder zelden goed onderzoek naar deze kwestie gedaan. Wat er aan onderzoek is gedaan, lijdt sterk onder onvoldoende betrouwbare controlegroepen, zo schrijven ze.

Voor het taaleffect onderzochten Haag en Stern de vertaling in het Spaans die 50 studentes (25 met Latijn en 25 met Frans als tweede taal op school, naast Engels; allen zonder kennis van andere talen) moesten maken als afsluiting van een cursus Spaans van vijftien wekelijkse lessen van twee uur. Verschillen in ijver in het huiswerkmaken, in middelbare-schoolcijfers voor de talen, in belangstelling en in verbale intelligentie bleken niet van invloed op de prestaties.

Maar wel de achtergrond in Latijn of Frans. De `Fransen' maakten bijna een derde minder grammaticale fouten en een kwart minder vocabulaire-fouten. De `Latijnen' faalden vooral omdat ze ten onrechte de logica van het Latijn toepasten op het Spaans: ze vervoegden bijvoorbeeld werkwoordsvormen (ellos trabajabant ipv ellos trabajan) en ze lieten hardnekkig voorzetsels weg wanneer je die in het Latijn niet hebt maar in het Spaans wel (un litro leche ipv un litro de leche).

Concrete vaardigheden (hoe vervoeg ik een werkwoord) blijken voor een transfer-effect dus belangrijker dan eventuele meer abstracte vaardigheden als `taalgevoel'. Want in het Latijn zijn voor het begrip van een zin de uitgangen van naamwoorden en werkwoorden belangrijk, maar in de Romaanse talen (ooit voortgekomen uit het Latijn) zijn die uitgangen helemaal niet meer belangrijk. Daarin draait het om woordvolgorde en voorzetsels.