Ook de freules hadden geweren

De Bentincks zijn een oud, illuster Nederlands geslacht. Heel wat boeken zijn gewijd aan verschillende leden van de familie; het bekendst is Hella Haasses roman over Charlotte-Sophie Bentinck-Von Aldenburg, Mevrouw Bentinck. Onverenigbaarheid van karakter & de groten der aarde (1978), waarin aan de hand van brieven en documenten een beeld wordt gegeven van het hoog-aristocratische leven in de achttiende eeuw.

Het nieuwe, zeer leesbare boek van Ursula den Tex is dus het tweede waarin een vrouwelijke Bentinck centraal staat. Maar als de schrijfster dat weet, laat zij het niet merken. Het is haar dan ook nadrukkelijk niet te doen om het portretteren van een persoon (al is dat haar eigen moeder), maar van een prototype, namelijk de adellijke mevrouw `zoals zij niet meer gemaakt worden'.

Anna den Tex-barones Bentinck (de auteur geeft de voorkeur aan het verouderde `baronesse') groeide op in de oude wereld van de aristocratie, omringd door gouvernantes en dienstboden, pachters en chauffeurs. Toen zij overleed was die wereld vervlogen, maar in háár was het standsbesef gebleven, samen met een strikt taboe op het tonen van gevoelens.

De contrasten in het leven van de schrijfster zelf, geboren in diezelfde aristocratische wereld en later journaliste bij Vrij Nederland, moeten nog scherper zijn geweest. Zij ontsnapte naar een omgeving waar standsbesef en adeldom problematische zaken waren, waarvoor je je misschien zelfs moest schamen. Het ligt voor de hand dat Ursula den Tex daarmee geworsteld heeft, en dat dat een van de redenen is geweest om dit boek te schrijven. Maar de worsteling blijft buiten beeld, en de schrijfster en haar zusjes komen in het boek alleen als kinderen enigszins tot leven. Het gaat om Anna den Tex-Bentinck en de zekerheden van toen; de ingewikkeldheden van nu dienen slechts om de blik te scherpen voor manieren van denken en handelen die in háár tijd gewoon waren, en dus niet werden opgemerkt.

De bronnen voor de beschrijving van Anna's leven zijn brieven, een enkel dagboekje, Sinterklaasgedichten en andere huiselijke papieren. Ze groeide op als burgemeestersdochter in het Overijsselse landgoederengebied, waar de jacht goed was (ook de freules hanteerden vanzelfsprekend hun geweren) en de stad ver weg. In 1916 verhuisde het gezin naar het familiegoed van de Bentincks, Schoonheten. Op een half jaar aan een Zwitserse kostschool na heeft Anna daar gewoond tot haar huwelijk in 1924 met de twaalf jaar oudere Co den Tex, die wel van adel was maar geen baron. (`Jonkheren zijn het denkend deel van de Nederlandse adel', zei hij weleens om zijn schoonfamilie te plagen.)

In 1931 verhuist het paar, inmiddels met twee dochters, naar Bloemendaal, waar Co burgemeester wordt. Er komt nog een dochter (Ursula), maar tot verdriet van de ouders geen stamhouder. Tijdens de Duitse bezetting verblijft Den Tex ruim twee jaar in het gijzelaarskamp Sint Michielsgestel. Zijn vrouw, die bij haar trouwen alleen maar chocoladevla en appelmoes kon maken, staat vrijwel alleen voor het huishouden en de opvoeding. Maar met haar optimistische, zorgzame aard was zij daarmee eigenlijk wel in haar element, merkt haar dochter op.

De geciteerde brieven van mevrouw Den Tex aan haar man in dat deftige kamp zijn aardig en leerrijk, maar heel anders dan de liefdesbrieven uit haar verlovingstijd. Toen kende haar passie voor de eerste man in haar leven – op een paar kuise verliefdheden na – nauwelijks grenzen. Dit waren de enige momenten waarop zij haar gevoelens de vrije loop liet. `Darling, I sometimes feel like a volcano', schrijft zij in 1924. Haar gebruik van het Engels was in haar milieu minder uitzonderlijk dan zulke emotionele uitbarstingen.

Het taboe op gevoelens en dat verraderlijke verschijnsel, standsbesef, zijn voor Ursula den Tex duidelijk de twee fascinerendste én afschrikwekkendste fenomenen in de wereld van haar moeder. Beide illustreert zij vooral met de opvoeding van de kinderen. De gevoelsarmoede (een woord dat Den Tex niet gebruikt) maakt dat dierbare kinderjuffen toch zonder pardon worden vervangen, wanneer de kinderen toe zijn aan een Franse mademoiselle; het standsbesef zorgt dat voortdurende waakzaamheid heerst of de meisjes wel met `geschikte' vriendinnetjes omgaan. Maar standsbesef maakt ook dat Anna den Tex, laat in haar leven op bezoek bij een oude kinderjuffrouw met wie zij het altijd bijzonder goed had kunnen vinden, deze vrouw argeloos op het hart trapt door te zeggen: `We lijken wel vriendinnen'. De implicatie dat zo'n vriendschap door het standsverschil onmogelijk was, sprak vanzelf. De schrijfster heeft een goede antenne voor zulke dingen, al voel je dat zij moet schipperen om niet al te lelijke verhalen over haar ouders te vertellen.

De fletsheid van de emoties `op stand' spreekt ook uit de beperkte woordenschat in een paar dagboekjes van Anna's grootmoeder waarover Den Tex schrijft. Het woord `aardig' wordt gebruikt voor elke positieve, `akelig' voor elke negatieve ervaring: de twee uitersten van het scala worden gevormd door `alleraardigst' en `allerakeligst'. En dan is er nog de term `vreemd', voor alles van verwondering tot afschuw. Specifiekere gevoelens worden niet uitgesproken door deze, en de twee volgende generaties edelvrouwen. `Schrompelt een mens in omdat haar de woorden worden ontzegd of verschrompelt de taal als de bewegingsruimte wordt ingeperkt?' vraagt Den Tex ontdaan.

Gezegd moet worden dat zij ook haar eigen bewegingsvrijheid wel heeft ingeperkt. De behoefte om een al te persoonlijke toon te vermijden, leidt soms tot cryptische of onnatuurlijke formuleringen. En sommige zaken zijn duidelijk te moeilijk om aan nadere inspectie te onderwerpen. Zoals het antisemitisme, dat zij waarneemt bij haar beide ouders en niet verzwijgt, al tekent zij (terecht) aan dat het wijd verbreid was in de Nederlandse bovenlaag van hun tijd.

Zoiets is duidelijk te akelig om uitvoerig te bespreken in een nogal persoonlijk boek over je moeder. Dat is niet sarcastisch bedoeld: het is heel begrijpelijk, en dat toont meteen de beperkingen van deze opzet. Het `sociale antisemitisme' van de elite dat Den Tex even noemt zal door iemand anders, in een breder kader, moeten worden behandeld. Den Tex' lezers hebben in elk geval het inzicht gewonnen dat het daarvoor hoog tijd is.

Een ander, verrassend inzicht is dat een pasgetrouwde freule in 1924 bekend kon zijn met, en bewonderaarster van, de boeken van Marie Stopes, Engels pionierster op het gebied van geboortebeperking. Ook voorbehoedmiddelen behoorden tot de moderne zegeningen die de elite eerder bereikten dan de rest van het volk. Het leven is nu eenmaal onrechtvaardig. Dat wisten wij al, maar hoe het bestaan van de meest bevoorrechte bevolkingsgroep er nog kort geleden uitzag, kunnen wij ons dank zij dit boek weer iets beter voorstellen.

Ursula den Tex: Anna baronesse Bentinck 1902-1989. Een vrouw van stand. Balans, 220 blz. €17,50