Hemeltergend ongemak

Een beeld uit Borg, de derde roman van Josine Marbus dat mij zal bijblijven: drie pasgeboren katjes, drijvend in een afwasteiltje in een boerensloot. Net als Mozes in zijn biezen mandje zijn ze overgeleverd aan de Voorzienigheid. Aan dit beeld gaat een korte episode vooraf, sober en droog verteld. Twee zusjes treffen de katjes halfverdronken aan in een plastic zak en vissen ze met zak en al uit de sloot. Ze worden dus op het nippertje gered, maar veel meer dan een uitgestelde executie lijkt het niet. Want de meisjes weten dat ze thuis niet aan hoeven te komen met drie katten. Ze vullen een teiltje op met watten en lapjes, zodat de beestjes warm kunnen liggen in hun drijvende poezenmand. Hoe het met hen afloopt komen we niet te weten. Marbus levert ze alleen aan, zogezegd, zorgt voor een moment van vertedering en deernis en laat het teiltje met inhoud dan wegdrijven, `het dorp uit', zoals het laconiek heet.

Marbus houdt er wel van om haar lezers te laten huiveren en ze in spanning te laten zitten. In haar vorige roman, Oefenmeisjes (1999), liet ze volwassenen op een Franse camping aan partnerruil doen. Een zestienjarig meisje moest walgend toezien en aanhoren hoe bevrijd haar ouders waren. In haar eerste roman, Winterkind (1997), werd een veertienjarig meisje slachtoffer van een gedetailleerd beschreven, dubbele verkrachting. Een van de verkrachters was haar eigen broer. In beide romans werd op het eind bittere wraak genomen voor de geleden schade.

In Borg gaat het minder heftig toe. Geen partnerruil, geen incest, geen verkrachting, maar ontluikende seksuele gevoelens, zoals het ook hoort bij meisjes van dertien en veertien. Deze keer blijft het bij zielige poesjes, bij een biggetje dat wordt doodgeslagen (een dag voordat hij naar het abottoir zou zijn afgevoerd) en bij een oude hond die door verwaarlozing omkomt. Menselijk leed is er ook: een scharminkelig neefje van acht dat tijdens een langdurige logeerpartij door zijn nichtjes wordt gepest. Op haar beurt wordt titelheldin Borg (afkorting van Ingeborg), door Sabine, haar iets oudere zus op de proef gesteld.

Ogenschijnlijk is Borg tot dusver de minst schokkende roman van Marbus omdat alles nog net binnen de maatschappelijke perken blijft en er geen doden of ernstige gewonden vallen, onder de mensen althans. Maar vanaf de eerste bladzijde weet zij op een subtiele manier spanning op te bouwen, door thrillerelementen aan te brengen. De aanwezigheid van een stinkend abottoir middenin het dorp bijvoorbeeld, neemt al bij voorbaat de illusie weg van het zuivere, idyllische landleven. Het biggetje dat in het eerste hoofdstuk het loodje moet leggen, lijkt vooruit te wijzen naar andere, grotere catastrofes. De zielige poesjes en ook de oude, sukkelige hond lijken model te staan voor alle weerlozen in de boze wereld, waar nog altijd het recht van de sterkste geldt.

Voor hoofdpersoon Borg, op haar gevoelige leeftijd, is het leven een ingewikkelde zaak. Niets in haar bestaan spreekt voor zich en nergens voelt zij zich helemaal op haar gemak. Haar zus Sabine vormt geen prettig gezelschap. Zij leest Borg steeds de les, is haar voortdurend te slim af en zadelt haar op met onaangename opdrachten die ze niet kan of durft te weigeren. Ze vindt geen aansluiting bij de dorpsjongens, die allemaal verliefd zijn op Sabine en als hondjes achter haar aanlopen. Ook thuis is het niet prettig. Daar zwaait `de vijand' de scepter. Waaraan haar ouders – die eerder een sullige dan een gevaarlijke indruk wekken – hun hatelijke bijnaam te danken hebben, wordt niet echt duidelijk. Maar dat is juist wel aardig en typerend voor het narrige puberperspectief dat hier is gekozen. De dertienjarige Borg, hevig op zoek naar haar eigen ziel en wezen, moet haar ouders als het ware wel van zich aftrappen om zelf iets te kunnen worden. Ook haar neefje neemt zij van een onrealistische afstand waar. Zij ziet hem niet als het jongetje dat hij is, maar als een soort proefkonijn, bijna als een ding dat naar willekeur getreiterd kan worden en getroost, genegeerd en vertroeteld, mishandeld en verzorgd. De enigszins godsdienstwaanzinnige Sabine, die graag bijbelse taal spreekt en zich een soort profetes waant, meent in hem bovendien het Lam Gods te herkennen. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar er wordt wel af en toe gezinspeeld op ritueel dopen, offeren en slachten. De angstige vraag is dan ook steeds of het de kleine Onno net zo zal vergaan als het biggetje, de poezen of de hond.

Josine Marbus is natuurlijk niet de eerste of de enige die ons een blik gunt in het verwarde brein van een puber, heen en weer geslingerd tussen het verlangen op te gaan in de massa of onafhankelijk te zijn van de anderen. Bijzonder aan haar benadering is de onsentimentele hoekigheid ervan. Nergens wordt het gedrag van haar heldin vergoelijkt, aannemelijk gemaakt of psychologisch geduid. We moeten zelf maar zien waar het schip strandt, tot welke rampzalige verwikkelingen bodemloze onzekerheid, redeloze wispelturigheid en impulsieve dadendrang kunnen leiden. Tot het eind toe weet Marbus ons daardoor in spanning te houden over de ontknoping.

Zij maakt, voor degenen die het hadden verdrongen, maar weer eens duidelijk hoe erg het soms is om jong te zijn en aan de goden overgeleverd. Het hemeltergende ongemak van de puberteit wordt in Borg met pijnlijke precisie aanschouwelijk gemaakt.

Josine Marbus: Borg. L.J. Veen. 240 blz. €16,–