Bush-doctrine kan veiligheid van VS schaden

De Amerikaanse regering heeft in Irak de verkeerde route gekozen. In plaats van te zorgen voor meer veiligheid zal de oorlog leiden tot meer terrorisme en verdere verspreiding van massavernietigingswapens, meent Brian Burgoon.

De oorlog in Irak schommelt nu tussen tegenvallend verzet en een meevallende opmars. Maar ook al wordt het kortetermijnverzet neergeslagen door de Amerikaans-Britse coalitie, de echte `toets' van deze oorlog ligt in de tegenstand op lange termijn – verzet van groeperingen en staten ver van het Iraakse grondgebied. Dit is het fenomeen dat wordt aangeduid als het `veiligheidsdilemma': bescherming van de eigen veiligheid kan de veiligheid van andere staten juist bedreigen, en kan leiden tot een spiraal van bewapening en van geweld.

Dit dilemma is altijd aanwezig in relaties tussen staten. Maar door de ideologische polarisering na 11 september 2001, gecombineerd met de overheersende Amerikaanse machtspositie na de Koude Oorlog, kan zelfs het terughoudendste buitenlandse beleid van de VS leiden tot zo'nveiligheidsdilemma. Daarboven zorgen een preventieve en (bijna) unilaterale aanval op een soevereine staat, ingebed in een bijzonder agressieve `Bush-doctrine' van Pax-Americanisme, unilateralisme, militarisme, en nation building idealisme, voor bijzonder gevaarlijke manifestaties van het veiligheidsdilemma.

Ten eerste is er een overduidelijk veiligheidsdilemma ten opzichte van terrorisme. De mogelijkheid dat de oorlog terrorisme voedt, wordt vaak overdreven. Het is juist mogelijk dat het vestigen van een legitiemer, misschien zelfs democratisch Irak een tegengestelde `dominotheorie' in leven roept, waardoor de voedingsbodems voor terrorisme `opgeruimd' zullen worden. Ook is het mogelijk dat door het aanpakken van één schurkenstaat, de steun aan terrorisme door andere schurkenstaten wordt ontmoedigd.

Maar het omgekeerde is ook mogelijk. Dergelijke veranderingen kunnen extremistische groepen voeden. Zo zijn de Arabische en islamitische werelden unaniem tegen de oorlog, en wordt een preventieve militaire aanval gezien als een provocatie van de Amerikaanse `agressor'. Zo'n oorlog kweekt veel haat tegen de VS en tegen het Westen, wat tot gewelddadig fanatisme kan leiden.

Ten tweede is er een veiligheidsdilemma voor wat betreft het gedrag van een schurkenstaat en de ontwikkeling van massavernietigingswapens. Opnieuw zou het mogelijk kunnen zijn dat de Bush-doctrine inspireert tot goed gedrag van staten, slecht gedrag zal indammen en dat de you're next dreiging niet alleen leidt tot minder steun voor terrorisme, maar ook tot minder agressie en minder behoefte aan massavernietigingswapens.

Zo'n dreiging werkt wat massavernietigingswapens betreft echter twee kanten op. Enerzijds moet men zijn nucleaire- en chemische-wapenprogramma's stoppen om de boosheid van de VS te vermijden. Anderzijds duikt het veiligheidsdilemma weer op: staten weten, of zouden kunnen concluderen, dat de enige manier om een VS-interventie te voorkomen, het bezit is van bruikbare massavernietigingswapens. Vandaar dat sommige staten die wapens zo snel mogelijk stiekem willen ontwikkelen. Een duidelijk voorbeeld van het veiligheidsdilemma: Bush' poging om een dergelijke ontwikkeling te ontmoedigen, levert juist het tegengestelde resultaat op.

Ten slotte is er een veiligheidsdilemma ten opzichte van alle andere landen. Tot voor kort lokte de enorme machtsvoorsprong van de VS na de Koude Oorlog weinig weerstand van andere mogendheden in de wereld uit. Er waren weinig pogingen van Europa, Japan, China of elders om de macht van de VS te confronteren. Niemand ging over tot extra bewapening en er zijn geen ernstige botsingen geweest om de Amerikaanse macht te balanceren. Dit was een raadsel voor theoretici van internationale betrekkingen, waar `machtsbalanceren' wordt gezien als een basiswet van de wereldpolitiek. Volgens sommige analisten werd deze uitzonderlijke berusting tegenover de Amerikaanse hegemonie veroorzaakt door de reputatie van de VS als een welwillende `supermacht' die internationale instituten en samenwerking grotendeels respecteerde, en die in ieder geval politieke en economische openheid zeker stelde.

Maar de bijzonder agressieve Bush-doctrine beschadigt deze reputatie van welwillendheid, en leidt tot de neiging bij andere grote mogendheden om een tegenwicht te zoeken tegenover de macht van Amerika. Dit zal zich uiten in hogere defensie-uitgaven, meer confrontaties en minder samenwerking met de VS.

Deze drie `gezichten' van het veiligheidsdilemma moeten worden afgewogen tegen de mogelijk positieve resultaten van de oorlog in Irak en de Bush-doctrine. Dat is natuurlijk lastig wegens de grote onzekerheden die altijd met oorlog, wederopbouw en ideologische ontwikkelingen zijn verbonden. Amerika kiest voor `actie nu', omdat het klimaat na 11 september 2001 vereist dat de VS fanatici en schurkenstaten die zich bewapenen met massavernietigingswapens aanpakken, wat de risico's ook zijn. Alleen zo zou het potentiële kwaad dat de boosdoeners kunnen aanrichten, worden afgewend.

Maar het veiligheidsdilemma gebiedt juist een tegengestelde route. Nu de oorlog (`actie nu') zoveel verzet oproept dat het misschien terrorisme kweekt, massavernietigingswapens verspreidt, en wereldwijde militarisering uitlokt, is het uiteindelijk verstandiger minder actie te ondernemen. De verwaarlozing door de regering-Bush van het veiligheidsdilemma, een gevolg van overmoed, kan de Amerikaanse veiligheid ondermijnen. De afwijzing van een vooraanstaande rol van de Verenigde Naties bij de wederopbouw van Irak en de agressieve retoriek tegenover de Arabische wereld tonen echter aan dat Washington deze les nog niet heeft geleerd.

Brian Burgoon is verbonden aan de afdeling politicologie van de Universiteit van Amsterdam