Basra plundert, juicht en lijdt

In Basra wordt geplunderd, gejuicht en geleden – in het ziekenhuis liggen nog honderden gewonden. Sommigen trekken naar de martelcentra van het regime.

Ze komen vroeg naar de verlaten Dienst voor Openbare Veiligheid, een imposante toren in de wijk Mazlaq, één van de beruchtste `politieke' gevangenissen in Basra. Sommigen komen om aanwijzingen te zoeken over het lot van vermisten. Anderen komen om wraak te nemen.

Wamid Kadem komt vroeg, zegt hij, omdat hij informatie zoekt over zijn beul. Hani Sukany zegt dat hij komt zoeken naar twee neven, ook al weet hij dat ze al dood zijn. Een 31-jarige man in het het zwart – hij wil zijn naam niet geven – komt aanrijden op zijn roestige blauwe fiets, en zegt dat hij zoekt naar documenten die wellicht iets kunnen zeggen over zijn broer die hij al elf jaar niet heeft gezien.

De dag nadat de leiders van Saddams Ba'ath partij Basra ontvluchtten voor de Britse opmars zetten sommige inwoners van de stad een orgie van plunderingen in gang. Anderen verzorgen de wonden die burgers en strijders hebben opgelopen door de niet-aflatende Amerikaans-Britse luchtaanvallen en artilleriebeschietingen. Maar talloze anderen zwermen uit over de toren die het synoniem was voor angst, op zoek naar dossiers of foto's van hun vermiste geliefden. En temidden van de rotzooi van omvergetrokken dossierkasten en omgekeerde bureaus vinden ze wat. Eén man zwaait met een foto van een familielid dat bebloed en levenloos lijkt te zijn, het bewijs, zei hij, dat de man is gemarteld nadat hij in dit complex was verdwenen.

De cellen zitten achterin het gebouw: kleine, bedompte hokjes van cement, met metalen tralies en felrood geverfde deuren. De gevangenis staat vlak bij het hoofdkwartier van de politie, dat nu is bezet door Britse troepen. Een kleine menigte verzamelt zich bij het hek om Britse soldaten te vragen of zij willen helpen zoeken op plekken waar nog steeds mensen gevangen zouden zitten. De meeste spreken geen Engels, maar ze houden hun handen omhoog en doen alsof hun polsen zijn samengebonden. In sommige kelders zouden nog politieke gevangenen zitten, zegt kapitein Mike Taylor.

De zoektocht naar antwoorden over vermisten is één bezigheid van de inwoners van Basra op de dag na hun bevrijding van dertig jaar overheersing door de Ba'ath partij – al is het waarschijnlijk de meest schrijnende. Voor sommigen is het een dag om bloemen uit te reiken aan Britse soldaten die in pantserwagens op een verkeersplein staan, of om patrouillerende Britse troepen te bekijken. Voor anderen is het een dag om hun woede te koelen op de iconen van de voormalige autoriteiten. Het gebouw van de staatsoliemaatschappij wordt geplunderd en daarna in brand gestoken, en ook een bankgebouw gaat in vlammen op.

Voor velen is het gewoon een dag waarop de plunderingen worden voortgezet die zondag begonnen. Hun lijst met doelwitten wordt uitgebreid met het museum, de centrale bank, de kantoren van de universiteit van Basra, de militaire compounds, en zelfs het Sheraton Hotel, waar bedden en matrassen op ezelskarren worden geladen, waar de Steinway-piano door de straten wordt gesleept en waar een man met een rood-witte hoofddoek door de ramen stoelkussens in de menigte gooit.

Maar voor deze dag is een hoge prijs betaald. De ziekenhuizen liggen vol burgers, veel van hen vrouwen en kinderen, die zeggen gewond te zijn geraakt door Britse artilleriebeschietingen of Amerikaanse bombardementen op de stad tijdens het beleg dat meer dan twee weken duurde. Artsen beschrijven de talloze slachtoffers van de beschietingen. Velen liggen nog steeds in het ziekenhuis met geamputeerde ledematen of verwondingen door granaatscherven. ,,Meer dan vijfhonderd, kinderen en oude mannen'', zegt Jasim Maliky, assistent in het ziekenhuis. ,,Ik heb het niet over soldaten, dit is een burgerziekenhuis.'' Gevraagd naar het aantal doden, zegt hij: ,,Meer dan tweehonderd, die heb ik met eigen ogen gezien.''

Maar in Mazlaq komt de menigte in het kantoor van de Dienst voor Openbare Veiligheid voor antwoorden. Ze slopen geen lijstwerk of pijpleidingen, maar snuffelen door documenten die over de vloer verspreid liggen.

Wamid Kadem kent het kantoor goed. Hij heeft er drie keer gevangen gezeten. In 1991 een jaar, in 1994 een paar maanden. In 2000 kreeg hij twintig jaar gevangenisstraf, nadat hij ervan was beschuldigd aanhanger te zijn van een shi'itische moslimgroepering die in Iran is gevestigd. Zijn vonnis is een paar maanden geleden opgeschort toen Saddam Hussein de gevangenispoorten openzette in een poging publieke steun te krijgen vóór de Amerikaans-Britse invasie. Kadem laat een journalist de littekens zien van de martelingen die hij in dit gebouw zegt te hebben ondergaan. De verbrandingen op zijn rug, zegt hij, komen van een stuk gloeiendheet metaal. Andere verbrandingen zijn veroorzaakt door elektrische schokken, zegt hij, en zijn neus was gebroken. Hij komt vandaag, zegt hij, om foto's te vinden die van hem zijn gemaakt tijdens de martelingen, en om informatie te vinden over de man die deze dienst heeft geleid, die hij kent als Mahdi. Op de vraag hoe hij zich nu voelt laat hij een brede glimlach zien en trekt hij zijn gele T-shirt een paar keer tot aan zijn kin omhoog. ,,Ik weet niet wat ik moet doen'', zegt hij lachend. ,,Huilen of mijn shirt uittrekken.”

© The Washington Post