Psychologen in oorlogstijd wekken agressie op

Bij calamiteiten zitten psychologen klaar om op tv advies te geven. Ze zeggen volgens Ellen de Bruin verstandige dingen, maar de kijker wordt niet goed van de overdosis.

Als er een natuurramp, terroristische aanslag, oorlog of andersoortige calamiteit plaatsheeft, komen plotseling overal psychologen vandaan die aanwijzingen geven hoe we ons het beste zouden kunnen gedragen. Sommige mensen ergeren zich daar vreselijk aan. Sommige psychologen ergeren zich ook vreselijk aan hun vakgenoten. En andere psychologen ergeren zich er dan weer aan dat iedereen zich maar ergert, want dat schaadt het imago van het vakgebied.

Neem de situatie in Israël tijdens de vorige Golfoorlog. Twee bezorgde psychologen van de universiteit van Tel Aviv, Amiram Raviv en Ina Weiner, zetten een paar jaar geleden in Professional Psychology op een rijtje welke rol psychologen destijds speelden en hoe ze beoordeeld werden.

Israël was natuurlijk wel vaker in oorlog geweest, maar de meeste mensen hadden nog nooit zoiets meegemaakt als in 1991. Burgerdoelen werden aangevallen met Scudraketten, een chemische oorlog dreigde, mensen trokken zich terug in speciaal ingerichte dichtgetapete kamers in hun huizen met de eerder landelijk uitgedeelde gasmaskers binnen handbereik. En met de radio en televisie aan en alle kranten in de buurt die ze maar krijgen konden. En al die media hadden psychologen klaarzitten met adviezen.

Naarmate de oorlog duurde, kwam daar steeds meer kritiek op – in krantenartikelen, op straat, in artikelen van collega-psychologen. De psychologen in de media zouden een slaatje slaan uit de oorlog, er geld aan willen verdienen en er status door willen verkrijgen. En ze werden beschuldigd van inhoudelijke fouten. Zo zouden ze het te veel over angst hebben en te weinig over positieve manieren om met de situatie om te gaan. Ook zouden ze technieken uit psychotherapeutische settings generaliseren naar de oorlogssituatie, terwijl dat helemaal niet zou kunnen.

Raviv en Weiner besloten te onderzoeken of er inderdaad sprake was van inhoudelijke fouten. Ze analyseerden onder meer 131 artikelen over omgaan met angst en stress, uit de drie grootste Hebreeuwse kranten verschenen in de oorlogsperiode. Uit die artikelen destilleerden de Raviv en Weiner 79 concrete gedragsadviezen, die ze voorlegden aan vijf prominente klinisch psychologen, gespecialiseerd in crisisinterventies en stress. Die konden zich in 65 van de adviezen vinden, 13 ervan vonden ze maar zozo, en 2 keurden ze echt af.

Raviv en Weiner concluderen dat het bij al die negatieve reacties op psychologen in elk geval niet alléén om de inhoud ging. Waarschijnlijk, schrijven ze, had iedereen gewoon een overdosis psychologen gekregen. Mensen voelden zich onzeker en hulpeloos en in hun vrijheid beperkt. Het enige wat ze konden doen was het nieuws volgen en daar kwamen ze dan al die psychologen steeds tegen. Dan treedt er reactance op, zeggen Raviv en Weiner; in dit geval agressie gericht op de meest zichtbare zondebok.