Dick Bruna heet eigenlijk Henk, en voelt zich vier

Wereldwijd zijn er meer dan 80 miljoen boeken van hem verkocht. Met een geschat vermogen van 36 miljoen euro staat hij in de Top500 van Quote. Vooral in Japan is Nijntje een idool. Maar Dick Bruna woont in een gewoon rijtjeshuis in Utrecht.

Toen Rietveld tegen hem zei: ‘Jongen, dat is een mooi vormpje’, liep hij met zijn hoofd in de wolken. Gesprek met Dick Bruna over ronde vormen, driftbuien en zijn absolute leeftijd.

Dick Bruna leest voor, foto uit 1977 ANP

Laat hem eerst iets helder stellen. Hij is niet zo’n aardige man. ‘Mensen vinden mij vaak zo vriendelijk. Dat is iets waarmee ik het niet eens ben.’

Dick Bruna betwijfelt bijvoorbeeld of hij een leuke vader was. Inderdaad beaamt zijn jongste zoon Marc, beeldhouwer in Zuid-Frankrijk, aan de telefoon dat zijn vader ‘een enorm rothumeur’ kon hebben, vroeger thuis. Opgewekt: ‘Als het met zijn werk niet ging, best vaak eigenlijk, dan werd hij nogal - tsja, dat je hem wel door de pót kon spoelen.’ Maar, zegt Marc, zijn vader was wél leuk.

Dick Bruna vindt ook dat hij geen aardige echtgenoot is. Zijn vrouw, Irene, zei in een documentaire over hem: ‘Zijn leven thuis, dat hoort erbij. Maar het is nou niet zo dat we het ontzettend gezellig hebben, samen.’ Ze kunnen flink op elkaar vitten, zijn ouders, had Marc gelachen. Maar in maart waren ze toch vijftig jaar getrouwd. En ongeveer even lang perst Dick Bruna iedere ochtend een glas sinaasappelsap voor Irene. Elke dag maakt hij daar speciaal voor haar een tekeningetje bij. En altijd legt hij dat dan op haar glas.

Dick Bruna in 1969

‘Maar ik heb vreselijke dingen gedaan’, houdt Dick Bruna koppig vol. ‘Dingen kapotgemaakt. Dat je opeens de borden op de stenen gooit.’

Dick Bruna heet eigenlijk Henk. Hendrik Magdalenus Bruna. In 1927 werd hij geboren, in een rijke uitgeversfamilie, met klompvoetjes. Een kalm kind, een beetje mollig, daarom noemde zijn moeder hem Dikkie.

Niemand zou zo onopvallend wereldberoemd worden als hij. Dick Bruna (75) is nog altijd iemand die je snel over het hoofd kunt zien, en niet alleen omdat hij klein van stuk is. Ook blijkt hij een opmerkelijke neiging te hebben zichzelf nog kleiner te maken, door steeds uitgebreid stil te staan bij zijn minder aangename kanten. Vaak ook bagatelliseert hij zijn talent.

Misschien is het een begrijpelijke reactie. De cijfers rond het merk Dick Bruna zijn inmiddels zo astronomisch dat het intimiderend moet zijn jezelf daarvan het middelpunt te weten. Ruim 80 miljoen exemplaren van nijntje en zijn andere kinderboeken zijn sinds de jaren ’50 in de hele wereld verkocht. In ruim veertig talen zijn ze vertaald. Tweehonderdvijftig fabrikanten werden wereldwijd licentiehouder - voor ruim tienduizend verschillende soorten speelgoed, kleding, ansichtkaarten, behang, fietsbellen, eierdoppen, blokkendozen en meer met zijn figuurtjes. Zijn bedrijf Mercis bv, waar zaakwaar- nemers zijn auteursrechten en de merchandising rond zijn werk in de gaten houden, heeft agentschappen in twintig landen op vijf continenten (zie kader).

Het tijdschrift Quote schatte het vermogen van Dick Bruna dit jaar op 36 miljoen euro. Nou ja, dat bedrag klopt geloof ik ongeveer wel, mompelt hij. Zijn oudste zoon Sierk, advocaat bij NautaDutilh in Parijs, had dat bevestigd en had het zakelijke non-talent van zijn vader aan de telefoon meteen zó kleurrijk beschreven, dat hij zich genoodzaakt voelde eraan toe te voegen: ‘Maar hij is verder wel bij zijn verstand, hoor.’ Eén keer per jaar doet Sierk nog een poging zijn vader te vertellen hoe Mercis er voor staat. ‘En als ik dan twee minuten zijn aandacht kan vasthouden, dan is dat heel wat.’

Hoe het is om als mens een merk te worden? In zijn atelier praten we twee keer urenlang. Meneer Bruna zou het over nogal wat onderwerpen - geld, plagiaat, parodieën - niet hebben, was tevoren aangekondigd bij Mercis, waar ‘twintig meisjes’, in de woorden van Bruna, als cerberussen over hem waken zodat hij rustig kan tekenen. Maar het valt wel mee. Bruna heeft er plezier in. Interviews gingen bijna altijd over zijn werk, zegt hij. ‘Eigenlijk nooit over de vraag wat het allemaal over míj zegt, of andersom. Terwijl ik het nu juist wel leuk vind daar eens over na te denken.’

Koekjestrommel

Zijn atelier is eenvoudig en behaaglijk. Een knusse zolderetage in hartje Utrecht. Onder oeroude hanenbalken waarop familiefoto’s en briefjes zijn geprikt, staan zijn tafels: één om te tekenen, één voor zijn schrijfmachine, één om aan te praten. Hij zet koffie in een klein keukentje waar penselen liggen te drogen en rammelt met de koekjestrommel. Aan de wanden hangen zijn beroemde reclameposters voor de Zwarte Beertjes-reeks van de uitgeverij van zijn vader, A.W. Bruna & Zoon. Daarvoor ontwierp hij van begin jaren ’50 tot in de jaren ’70 ook honderden klassiek geworden boekomslagen. ‘Ik heb zelf altijd het gevoel gehouden dat dat mijn beste tijd was.’

Kasten vol met zijn boeken staan hier: nijntje in alle talen - ‘miffy’ voor het buitenland. Een kleine honderd losse titels (Ik kan lezen, sprookjes, Boe zegt de koe). En zijn andere kinderreeksen: Boris en Barbara (twee beren, waarvan alleen intimi weten dat de wat onhandige Boris eigenlijk Dick is en de doortastende Barbara Irene), Snuffie (een hondje - omdat zijn kinderen zo graag een boekje over hun hond wilden) en Betje Big (een gezellig, tante-achtig varkentje, geïnspireerd door een voormalige juf op de lagere school van zijn kinderen).

Dick Bruna leest voor, foto uit 1977. ANP

Nieuwe uitgaven in onbegrijpelijke talen liggen hier, beplakt met memootjes om te onthouden wat het is: ‘Catalaans’. ‘Arabisch’. Dan zijn er nog planken vol geknutsel van kinderen uit de hele wereld.

Veel origami en nijntjes in kimono uit Japan, waar Bruna een idool is. Japanse kinderen leren lezen en schrijven met zijn tekeningen. Landt hij in Tokio, dan staan er mensen op het vliegveld te juichen.

Een kinderboek van Bruna telt altijd twaalf of dertien prenten. Bij de prenten schrijft hij zelf teksten, altijd vier regels per prent, altijd rijmen de tweede en laatste regel. ‘Het is niet zo dat ik ‘lekker ga tekenen”. Ik tob. Het volgende moet ten minste zo goed zijn als het vorige.’ Medewerkers of stagiairs heeft hij nooit in het atelier geduld. ‘Ik werk helemaal alleen. Ik wil dat niemand, echt niemand iets ziet tot het af is. Anders ben ik de spanning kwijt. Zelfs mijn vrouw vertel ik niets.’

Zijn prenten maakt hij al decennia op dezelfde manier. Hij schetst met potlood op doorzichtig papier. Dat drukt hij door in zacht aquarelpapier. In de nerf die zo ontstaat, trekt hij met penseel en zwarte plakkaatverf de contouren van zijn figuren. Het met de hand omtrekken van één prent duurt een halve dag.

Nijntje evolueerde sinds Bruna in 1955 in zijn vakantie een konijn begon te schetsen. Eerst was ze spits, de laatste jaren wordt ze steeds ronder. Dat gebeurt gewoon, zegt Bruna, als je alles met de hand doet. Ze gingen ook op elkaar lijken, Bruna en zijn nijn. Die ronde donkere ogen die wat verrast de wereld inkijken. Zijn snor, die in combinatie met zijn mondhoeken precies de vorm van het kruisje heeft dat hij voor nijns mond gebruikt. ‘Ik kijk ook vaak even in de spiegel, voordat ik haar een gezichtsuitdrukking moet geven.’

Twee stippen voor de ogen en een kruisje voor een mond - dat kost de meeste tijd. Bruna wil met minimale middelen een maximum uitdrukken. Een millimeter afwijken, een kleine trilling van zijn hand, kan daarin een wereld van verschil maken. De eenmaal geschilderde tekening laat Bruna daarom op film zetten. Onder dat doorzichtige vel kan hij met kleurencombinaties experimenteren zonder de tekening steeds opnieuw te hoeven maken. Hij schildert ze niet binnen de lijnen, maar knipt de kleuren uit, als collages.

De kleuren zijn altijd precies dezelfde: geel, rood, blauw, groen, bruin, zwart, wit, grijs. Eenvoud, daar draait alles om.

Spaans benauwd

Hij gaat vroeg naar bed - negen, tien uur - en staat vaak al om vier uur op. Tegen half acht vertrekt hij op de fiets naar het atelier. Alleen in het weekend blijft Dick Bruna thuis. In principe dan. ‘Soms hoeft Irene maar naar me te kijken en ze zegt: ga dan nog maar een poosje.’

Zijn echte leven ligt, vreest hij, meer in dit atelier dan thuis. ‘Als ik hier weg zou moeten, bij het idee alleen al, god, dan krijg ik het Spaans benauwd’. Zijn adem stokt nu echt. Hij hapt naar lucht en slikt.

Er zijn nogal wat dingen die hem angstig maken. Gezelschap. Moeten praten over ingewikkelde zaken, zoals politiek.

Hoogtes - ga bij een raam staan en hij gaat hysterisch, nu ja nadrúkkelijk vragen of je daar weggaat, had ook zijn zoon Marc gezegd. Dick Bruna is altijd wel bezorgd om iets.

‘Het is nogal ingewikkeld. Naarmate ik ouder ben geworden, zie ik tegen meer dingen op dan vroeger. Misschien moet ik zeggen: naarmate ik bekender ben geworden. Dat is toch merkwaardig? Je zou toch verwachten dat het juist minder wordt? Zelfs als ik weet dat er hier mensen in het atelier langskomen om een handtekening te halen, iets wat echt regelmatig gebeurt, dan ben ik erg bezig me daarop voor te bereiden. Dan slaap ik slecht.’

Maar hij hoeft al die fans toch niet binnen te laten, zeg ik.

‘Er komen hier Japanse of Koreaanse meisjes die echt helemaal in tranen zijn. Vaak staan ze me hier buiten ook gewoon op te wachten. Ze vinden het zo heerlijk hier boven even rond te kijken. Hier is hun nijn geboren. Dat is toch dierbaar.’

Wat hij bedoelt met dat opzien tegen dingen, zegt hij, is het gevoel steeds, áltijd, examen te moeten doen. ‘Ik kan geen dingen goed uitleggen. Ik kan geen diepe gesprekken voeren. Ik ben eigenlijk vrij gauw uitgepraat. Natuurlijk, met een glaasje wijn. Maar als ik ‘s avonds eens een beetje door het behang ben gegaan, dan denken de meeste mensen: dat is een gezellige avond geweest. Maar ik niet. Ik ben veel te bang dat ik iets verkeerds heb gezegd. Of vorig jaar! Toen kreeg ik hier in Utrecht een onderscheiding. Ik moest een dankwoord zeggen. Er is geen woord uitgekomen.

Ik ben helemaal ingeklapt, ik was bijna in tranen.’

Hij was toen bang dat er opeens ‘nare’ dingen uit zijn mond zouden komen. Vloeken of zo - soms zou hij graag vloeken, vooral als het tekenen niet lukt. Maar Dick Bruna vloekt niet, hij zet Bach op. Loeihard. En Charles Trenet. Toen hij nog op school zat, wilde hij chansonnier worden. Hij speelde accordeon en zong Trenet. En zonder gêne! Dat lef, zegt hij. Dat is hij dus een beetje kwijtgeraakt in de loop der jaren.

‘Sinds een paar maanden doe ik erg mijn best wat nieuwe verhalen te bedenken, maar ik kom er niet uit. Dat is niet de eerste keer, maar toch maakt het me bang. Dat ik denk: is het nu afgelopen?’ Georges Simenon heeft er precies zo over geschreven, zegt hij, in Quand j’étais vieux. ‘Dat is een tijd geweest dat hij zich echt oud voelde. De overgang bij een man, dat het niet meer wil, dat het niet meer lukt. Het gevoel dat het afgelopen is. Simenon heeft ook zo’n periode gehad. Maar daarna schreef hij weer mooie boeken. Dat zeg ik ook wel tegen Irene: ‘Quand j’étais vieux, het lúkt me niet. Ik kom er niet uit.’

Buiten het nest

Ze schijnen ergens in de zeventiende eeuw een schilder in de familie te hebben gehad, maar verder laat het zich niet verklaren. Dick Bruna viel volledig buiten het nest.

Zijn moeder zag nog wel dat het tekenen er vanaf het begin in zat, maar van zijn werk heeft ze nooit veel begrepen. Op ‘kunstzinnig gebied dan’ wilde hij zeggen, maar hij slikt dat in want het klinkt zo vervelend. Al heeft hij een eigen afdeling in het Utrechts Centraal Museum en exposeerden musea in Frankrijk, Japan, Engeland en Duitsland zijn werk, Dick Bruna zou niet durven beweren dat hij kunst maakt. Hij noemt zich liever grafisch vormgever.

‘Ook mijn vader heeft mijn werk nooit echt geapprecieerd. En zelfs mijn grootvader riep me nog bij zich, toen ik al in de veertig was en al een paar jaar van mijn boeken kon leven: ‘Jongen, wanneer ga je nu eens echt aan het werk?” Ze hebben het heel lang als een hobby gezien. Dat maakt dat je vechten wil. Ook zonder het succes van nijntje zou ik zijn doorgegaan.’

Zijn vader wilde dat hij opvolgde in de uitgeverij. Hij had dat ook zo gedaan, en grootvader ook. Dus zijn zoon moest gymnasium bèta doen - wat hij door de oorlog niet zou afmaken. Echt naar een kunstacademie is hij nooit geweest. Hij moest leren rekenen. ‘Terwijl ik neerkeek op zakenmannen. Mijn vader was een zakenman. Hij was zo’n uitgever die eigenlijk nooit een boek las. Gewoon een heel goede neus voor wat verkoopt, dat had hij. Maar ik vond lezen leuk, en het contact met schrijvers. Terwijl ik op commercieel gebied helemaal niks was.’

Opvolgen, dat was de bedoeling. Kort na de oorlog stuurde zijn vader hem een jaar naar Londen om bij een bevriende uitgever in de leer te gaan. Daarna moest hij nog een jaar naar Parijs. Dat had zijn vader beter niet kunnen doen.

‘Parijs was voor mij het einde. Ik woonde er in een kostgezin dat mijn vader voor me had geregeld. Niet bepaald bohémien, nee. Maar Parijs heeft op mij toch wel dezelfde invloed gehad als op leeftijdgenoten zoals Campert en Corneille in die jaren. Je had die oorlog gehad waarin je geen kant op kon en ook van niks wist. Dus wij dachten allemaal: in Parijs gebeurt het. Ik heb er mijn schoenen kaalgelopen om alle tentoonstellingen te zien. Picasso, Braque, Léger, Matisse.’

Plat vlak

Matisse gaf de doorslag. ‘Vooral dat laatste werk, zijn collages. Op zo’n manier wilde ik ook ontzettend graag werken. Ook mijn eerste tekeningen waren eenvoudig, ik heb altijd veel weggelaten, altijd gedacht dat het de manier was om ruimte voor de fantasie te laten. Maar toen ik dat werk van Matisse zag! Het in losse vlakken kleur brengen, primaire kleuren. En hoe het perspectief steeds meer uit zijn werk verdween. Ik heb zelf ook altijd gedacht: ‘Ik ben bezig met een plat vlak en het zal ook een plat vlak zijn.” Bij Matisse zag ik dat je eigenlijk met álles naar vereenvoudiging toe kan. En dan vooral zijn knipsels. Dat heeft voor mij heel veel gedaan. Dát wilde ik ook.’

Bruna wint de D.A. Thieme prijs in 1990 in de Dom te Utrecht. ANP

In zijn boekje nijntje in het museum, waarin nijn moderne kunst bekijkt, is die verwantschap met Matisse verwerkt. Eerst heeft nijn zich cultureel verantwoord staan verdiepen in een overduidelijke Mondriaan, waarvan ze niets begrijpt (‘die strepen vind ik ook wel mooi/ ik vind dat echt heel goed/ alleen weet ik niet zo precies/ hoe of ik kijken moet’). Behalve met diens kleurgebruik heeft Bruna niet veel met Mondriaan. ‘Ik probeer juist zoveel mogelijk te vereenvoudigen en toch nét niet abstract te worden.’ Wel vindt hij deze Mondriaan-prent één van de beste die hij maakte - alleen om het hoofdje van nijn dat, van achteren getekend, iets scheef staat. Precies scheef genoeg om uit te drukken hoe verbluft ze is.

Even verderop in het museum roept nijn enthousiast ‘dát vind ik mooi’. Dit kunstwerk bestaat uit vormpjes met konijnenoren - men kan dus wel stellen dat de kunst nijn hier een spiegel voorhoudt. Bovendien is het meteen ook een heel vrolijk stemmend pastiche om verliefd op te worden - een pastiche-met-oren zogezegd, waarin je in een oogopslag die bekende Matisse uit het Amsterdamse Stedelijk Museum herkent, kom, hoe heet dat ding ook weer - De parkiet en de meermin, ja, zegt Dick Bruna. En nijn besluit vervolgens kunstenaar te worden.

Toen Dick Bruna Matisse zag, wist hij het zeker. ‘Na Parijs heb ik mijn vader echt gezegd dat ik het pertinent weigerde, dat opvolgen. En toen zag hij wel in dat verder dwingen zinloos was. Maak dan maar eens een boekomslag, zei hij. Vanaf toen liep het snel.’

Zijn eerste omslagje was voor een novelle: Annemarie. ‘Men was tevreden.’ Daarna kwamen al snel de Zwarte Beertjes. ‘Eigenlijk zijn die voor mij een soort opleiding geweest. Voor die omslagen ging ik tekenen, knippen, scheuren, schilderen. Álles door elkaar.

‘Ook door de contacten met schrijvers was het een hartstikke leuke tijd. De Saint. Havank, Simenon. Voor de Maigret-reeks van Simenon maakte ik veel omslagen. Een omslag mocht nooit de hoofdpersoon afbeelden, vond ik, dat moest je aan de fantasie van de lezer overlaten. Ik probeerde de sfeer van het boek te vatten. De pijp van Maigret. Of dat het regende. Simenon woonde toen in Zwitserland en stuurde altijd een reactie.

Hij schreef een keer: ‘Dit omslag was nóg eenvoudiger dan het vorige. Je probeert met tekenen hetzelfde te bereiken als ik met schrijven.” Daar was ik heel blij mee, want dat ís zo.’

Altijd weer die eenvoud. Als jongen al was hij een groot bewonderaar van de ontwerper Gerrit Rietveld. ‘Hij wilde de dingen ook helder en duidelijk maken.’ Ze spraken elkaar wel, in Utrecht. Rietveld kwam langs op de uitgeverij. ‘Ik was toen een keer bezig met een omslag voor de Saint. Rietveld wees ernaar - hij had zo’n mooie brede vinger. ‘Jongen, dat is een mooi vormpje.” Dát zijn dingen! Hoe je dán met je hoofd in de wolken loopt!’

Rietveld voelde zich eigenlijk handwerksman. En dat heb ik ook altijd over mezelf gedacht

Rietveld was ook een voorbeeld voor wie hij wilde worden. ‘Hij was namelijk een gewone man. Rietveld voelde zich eigenlijk handwerksman. En dat heb ik ook altijd over mezelf gedacht. Ik heb me nooit kunstenaar of wat dan ook gevoeld. Ik heb altijd gedacht: ik ga elke dag gewoon naar mijn werk.’ Gerrit Rietveld kon met die eenvoud ook zo leuk koketteren, giechelt hij. De gemeente bestond het een keer aan Rietveld te vragen of hij een nachtclub wilde ontwerpen, voor onder de Utrechtse schouwburg. ‘Een náchtclub. Wie Rietveld een béétje kende zou het niet in zijn hoofd halen. Rietveld vroeg alleen maar: ‘Maar burgemeester, bedoelt u zo’n zwoele toestand?” De nachtclub is er nooit gekomen.’

Verliefde jongen

Men moet in alles perfectie nastreven, vindt Dick Bruna.

Zijn er boeken uitgekomen waar hij bij nader inzien niet tevreden over is?

‘Nee.’

Op een gegeven moment is iets wel af, zegt hij, maar dan heeft hij alleen maar het gevoel dat iets klaar is. ‘Maar of het ook goed is, dat beslist Irene. Als ik een prent moet maken, dan maak ik er drie en dan kiest zij de beste. En als een boek af is, komt zij naar het atelier. En dan zit ze hier. Zij weet dus nog van niks, want ik heb niets verteld. En dan ben ik vreselijk nerveus. Aan haar gezicht zie ik of het ja of nee is.’

En als het nee is?

‘Dan wéét ik dat er iets fout is met zo’n boek.’

Soms begint hij helemaal opnieuw. Weer drie maanden lang, in zijn eentje, en weer niets vertellen. Tot ze weer mag komen keuren.

Als verliefde jongen stond hij met zijn ezel op het balkon te schilderen, thuis, om indruk op haar te maken, want zij woonde schuin aan de overkant. Waarop zij hem een ongelooflijke aansteller noemde. Met hem trouwen? Geen haar op haar hoofd. In een romantische bui van tristesse is hij toen ‘voorgoed’ naar Frankrijk afgereisd. Mocht hij bij Havank logeren. Maar binnen de kortste keren was hij terug om haar nog eens te vragen. Nou, zei ze zuinig. Vooruit dan maar.

Op de wc van zijn atelier hangt een tegeltje: Behind every succesful man stands a woman, telling him that he is WRONG.

Pornonijntje

Als het in godsnaam maar goed is. Als we maar niet scherp zijn tegen elkaar. Dát, zegt Bruna, is wat zijn prenten eigenlijk ten diepste over hemzelf uitdrukken. Dat streven.

Ook om die reden was een campagne die de Stichting Ideële Reclame (sire) dit jaar over normen en waarden maakte hem een gruwel. Tekstjes en prenten deden in vormgeving sterk aan zijn werk denken. Maar hier zei iemand tegen een omaatje: ‘Optiefen, ouwe graftak!’ En alsof het nog niet genoeg was, kwamen er parodieën op internet, waar het alleen maar erger werd. Een tekstje over groepsverkrachting stond daar bijvoorbeeld bij een échte Bruna-prent.

‘Dat soort dingen zijn op zichzelf vaker gebeurd. Een tijd geleden had een jongen een pornonijntje gemaakt, voor een computerspelletje of zo. Dat vond ik afschuwelijk - niet dat die jongen met porno bezig is, dat is zijn zaak. Maar hij moet niet iets nemen dat ik voor kleine kinderen heb bedoeld. Die kinderen zijn de klos als hun figuurtje allemaal vreemde dingen gaat doen.’ Hij schreef brieven. ‘Die jongen begreep het, hield ermee op en we hadden goed contact. Maar sire, dat vond ík veel onbegrijpelijker. Ik vond het altijd idealisten, die maakten mooie reclames. We zijn haast collega’s, ik maak toch ook affiches voor Amnesty en zo!’

Algemeen directeur Marja Kerkhof van Mercis dreigde met een rechtszaak. sire stopte de campagne en beloofde deze ook niet meer te herhalen, wat oorspronkelijk wel de bedoeling was.

Niet dat nijntje alleen maar lief zou mogen zijn, zegt Dick Bruna. ‘Haar eens iets vreselijks laten doen, daar denk ik wel over na. Ik heb daar wel zin in. Dat zij eens ruziemaakt, zou kunnen.’ Hij heeft nijntjes oma per slot ook al laten overlijden - voor dat boek, lieve oma pluis, kreeg hij een zilveren griffel. Het werd een naslagwerkje voor ouders die hun kind willen uitleggen wat dood is.

Haar eens iets vreselijks laten doen, daar denk ik wel over na. Ik heb daar wel zin in

Als hij zelf gaat hemelen, zegt hij, dan is het afgelopen met nijn. Er komen geen nieuwe, zoals bij bijvoorbeeld Suske en Wiske wel gebeurde. Goddank, zegt hij, gingen zijn drie kinderen iets anders doen. Die last van moeten opvolgen, hij zou het ze niet aan willen doen.

Zijn kinderen hadden Dick Bruna graag uit de Quote-top 500 van rijkste Nederlanders gehouden. ‘Mijn vrouw en zij vonden dat ik niet tussen die nieuwe rijken thuishoorde’, zegt Bruna. Zoon Marc had aan de telefoon gezegd: ‘Wij kregen er de zenuwen van dat het daar zo stond - we hebben kleine kinderen. En hij pást daar niet.’

Je moet het even laten doordringen. Dick Bruna, de multimiljonair, woont nog steeds in het rijtjeshuis in Utrecht dat hij een jaar of veertig geleden betrok. Een gewoon huis in een gewone buurt.

Zijn tweede huis in Frankrijk dan? Dat is een verbouwde boerenschuur. Nou goed, een mooi verbouwde boerenschuur.

Is er dan níéts buitenissigs? ‘Lekker uit eten gaan, nou, dat doe ik wel graag!’, glundert hij.

Zoon Marc had gekreund en gelachen. ‘Als hij hier in Frankrijk is, zeg ik godverdorie, koop dan tenminste eens wat wijn in voor jezelf! Neem de lekkerste! En dan gaat hij nog miezeren. Deze is wat duur, die is minder duur, miezermiezer. En dan kiest hij, heel typerend is dat, de míddelste.’

Irene wilde eigenlijk wel graag buiten wonen. En Marc en Sierk zijn nog huizen gaan bekijken, maar tevergeefs. Marc zei: ‘In zijn jeugd heeft mijn vader in een paar krankzinnig grote huizen gewoond, en sindsdien heeft hij het wel gehad.’ Bruna wil niet verder van zijn atelier wonen dan pakweg een kwartiertje op de fiets. Zodat hij tussendoor even naar huis kan voor de middagboterham. En daarna weer zo snel mogelijk terug.

Duim in de mond

Hij heeft altijd tegen mensen opgekeken. Voelde zich vaak minder dan anderen.

Maar zo’n kring van kleine kinderen, zegt hij. Hij leest zo graag voor op scholen. En hoe ze dan zó - hij mimet nu bedreven een kleuter - met een duim in hun mond naar je luisteren en dan intussen zó - voet boven tafel - hun been op je schoot leggen. ‘Dan mag je als kroon op je werk hun veter strikken. Dat soort eerlijkheid, daar ben ik erg gevoelig voor.’

Annie M.G. Schmidt zei vaak dat ze altijd acht was gebleven. Zelf heeft hij het gevoel nog vier te zijn. ‘Ik ben een beetje achtergebleven gebied.’ Zijn boeken zijn ook altijd voor kinderen van nul tot zes, hooguit.

Maar waarom nu juist vier? ‘Natuurlijk heb ik me dat afgevraagd. Ik heb het ook wel geprobeerd, voor oudere kinderen. Maar het lukt niet. Omdat ik die dingen eigenlijk voor mezelf maak, denk ik. Ik geloof dat ik echt een heel kinderlijke manier van kijken heb. Wat je niet met onschuld moet verwarren. Kinderlijk kan ook zwart-wit zijn. Ik vind dingen goed, of ik vind het helemaal niks. Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt. Omdat mijn stemming zo ontzettend snel kan omslaan, ben ik ook zo’n moeilijk mens om mee te leven.’

Misschien is zijn eigen groter worden wel ergens gestokt, peinst hij.

Zijn vroegste herinnering? Dat zijn grootvader hem mee uit wandelen nam. ‘En dat hij me dan altijd krampachtig bij mijn pols pakte. Hij was erg oppassend. Van héél vroeger herinner ik me een echt gezellige tijd. Mijn broer en ik hadden een bokkenwagen in de tuin. Terug wou de bok nooit, dus dan rende mijn moeder voor hem uit. Wij woonden nogal, nu ja, wij waren in goeden doen. Dus dat baarde opzien in die straat.

Dick Bruna, geestelijk vader van de wereldbekende Nijntje, met twee fans in 2000. ANP

‘Later werd het anders. Toen is mijn vader weggegaan. Mijn vader is altijd flamboyant geweest. Geld moest rollen. En hij was nogal een avonturier. Hij heeft zijn hele leven vrij veel vriendinnen gehad. Uiteindelijk begrijp je die dingen wel en is het ook vrij normaal, maar als je zo jong bent, dan zit je daarmee. En dan kon ik hem ook wel wat doen.

Wanneer hij erachter kwam? ‘Om niet te werk te worden gesteld in Duitsland, brachten we een groot deel van de oorlog ondergedoken in Loosdrecht door, in een klein huisje aan het water. Dat hij vriendinnen had, daarvan werd ik me in Loosdrecht bewust, zo rond mijn vijftiende, zestiende. Ook daar ging hij gewoon op de fiets naar ze toe. Mijn moeder was absoluut op de hoogte. Maar die heeft zich fantastisch gehouden en ons daar een heerlijke tijd bezorgd. Misschien kwam het ook omdat je nergens naartoe kon. Ik herinner me die periode als een van reuze intimiteit. Je moest binnen blijven, alles gebeurde in dat huisje. Daar begon ik ook te schilderen, interieurtjes.’

Er hangt een foto van het huisje in Loosdrecht bij zijn tekentafel. Knus, met een puntdak. En onder de hanenbalken van het zolderatelier denk je dan vanzelf: hij heeft zichzelf hier nog altijd in zo’n veilig onderkomen opgeborgen.

In Loosdrecht schreef hij zijn eerste boek, het suikerzoete Japie. Voor zijn moeder. ‘Het was heel sentimenteel. Ik schreef het omdat ik het fantastisch vond wat mijn moeder voor ons deed. Zoals zij voor ons zorgde. Voedsel regelde, onder alle omstandigheden een sfeer van warmte wist te behouden.’

Alles wat hij over zijn moeder zegt ademt de sfeer van zijn kinderboeken, zeg ik. ‘Ja, die veiligheid van die eerste jaren probeer ik er ook wel in te krijgen.’ Maar was zijn moeder dan niet woest op zijn vader? ‘Nou, mijn moeder was een reuze vrolijk mens. Zij wilde alleen de leuke dingen zien. Ook later, nadat mijn vader definitief was weggegaan. Zij wilde dat nooit weten. Nee, die was op zakenreis. Zoals ze ook altijd zei: ‘Jongens, als er gehuild wordt: niet in de kamer. Dan ga je maar even naar je slaapkamer.” Zij had zo echt haar eigen manier van doen. Ze is oud geworden, en ook toen nog: even vrolijk. Als Willem, de chauffeur, haar ergens naartoe bracht, dan namen ze ieder een hopje en dan keken ze wie er het langst over deed. Pas drie jaar geleden is ze overleden. Zelfs op haar sterfbed zei ze nog: Jullie nemen toch wel een borrel?’

Zoals ze altijd zei: ‘Jongens, als er gehuild wordt: niet in de kamer. Dan ga je maar even naar je slaapkamer

Toch lijkt hij minder op haar dan hij zou willen, zegt hij. ‘De laatste jaren heb ik het gevoel dat ik toch wel wat van mijn vader heb. Zijn ontvlambaarheid. Dat heb ik ook zeer, zéér sterk gehad. Drift, maar ook verliefdheid. En nóg hoor. Ik ben nu vijfenzeventig, maar nóg kan ik onder de indruk raken van een meisje. Ook de drift is er niet helemaal uit, maar die is wel minder dan vroeger, toen ik er dingen bij kapotmaakte.’ Daar heeft hij wel ‘erge spijt van gehad’, dus hij doet zijn best zich een beetje in te houden, tegenwoordig. Maar waar hij nou zo driftig om werd? ‘Ik ben zó jaloers geweest. Wij gingen bijvoorbeeld altijd naar het boekenbal. Dan vond ik het vreselijk als Irene met andere mensen danste. Vréselijk. Dus als er boekenbal was, dan gingen wij altijd vroeg naar huis.’

Hij heeft wel geprobeerd met zijn vader te praten, over die meisjes. ‘Maar dat is nooit gelukt. Ook hij is dik in de negentig geworden. Ik ging er wel eens heen en dan aten we samen, het was gezellig, maar nooit praatten we nou eens als volwassen mannen over wat er gebeurd was. Terwijl, je hebt op een gegeven moment toch dezelfde problemen gehad. Ik heb ook wel eens een vriendin gehad. Dat gaat zo in een leven. Nooit tijdenlang hoor, korte verliefdheden, soms platonisch.’ Irene, zegt hij, weet inmiddels hoe ontvankelijk hij is.

Maakt dat ook niet driftig? Die ideale moeder van hem. De lieve geborgenheid in zijn kinderboeken. Iedereen die hem altijd maar aardig vindt. Terwijl, zeg ik, u er zelf helemaal niet in slaagt die norm te halen.

U voldoet niet aan uw eigen hoge standaard. U ging op uw vader lijken.

‘Dat zou best mogelijk zijn, ja’, bromt hij.

Maar is het dan niet vreemd, vraag ik, dat van uw meer grimmige kanten geen spoor in uw werk is terug te vinden?

Hij: ‘Is het zo gek dat je eigenlijk het tegenovergestelde doet van wat je bent?’ M

Geschreven door Magriet Oostveen