`Shock and awe' is geen middel om vrede te winnen

De bijna-euforie in de Verenigde Staten over het oorlogsverloop staat haaks op het groeiende wantrouwen in het buitenland. Deze botsing van culturen zal groter worden wanneer het een slepende oorlog wordt met grote aantallen slachtoffers, meent Harlan Ullman.

De oorlog in Irak houdt de aandacht van de wereld gevangen – en vooral die van Europa en de Verenigde Staten. De strijd die zich op het ogenblik voltrekt rond Basra, Nasiriya en Umm Qasr is de meest intensief verslagen oorlog uit de geschiedenis. `Gedetacheerde' journalisten snellen met de grondtroepen van de coalitie mee naar Bagdad en zijn gelegerd op oorlogsschepen die van zee lucht- en raketaanvallen uitvoeren. Op de televisie zien we hoe de gebeurtenissen zich ontrollen, direct en 24 uur per dag.

Toch ziet de wereld maar een flinter van de meest complexe, veelomvattende en ambitieuze militaire operatie die ooit is ondernomen. En wát ze ziet, wordt niet overal op dezelfde manier uitgelegd.

Dit is een heel andere oorlog dan elke oorlog die de Vereigde Staten eerder hebben gevoerd. Er ontbreekt een casus belli. Er is geen Pearl Harbor geweest, geen onverhoedse nazi-aanval op Polen. Zoals er overigens ook geen `rokend wapen' is. Het doel is Saddam Hussein te onttronen en hem te ontdoen van zijn massavernietigingswapens, niet per se om het Iraakse leger te vernietigen.

Bovendien zijn de techniek en de filosofie achter deze oorlog totaal anders. Er zijn tienmaal zoveel precisiewapens en slimme bommen beschikbaar als in 1991 in de eerste Golfoorlog. Deze wapens zijn veel beter. Ook de filosofie achter de doelen is anders. Grootscheepse verwoesting is vervangen door uiterst selectieve, uiterst precieze – en toch massale en hevige – aanvallen op cruciale knooppunten en doelen over heel Irak. Door het Pentagon wordt de Amerikaanse strategie aangeprezen als shock en awe – schrik en ontzag.

Het ministerie van Defensie in Londen geeft met een Engels understatement de voorkeur aan het milder klinkende `resultaat-gerichte operaties'. Maar hoe de naam ook luidt, de methode is dezelfde en heeft wel iets weg van karate: de aanwending van een beslissende en hevige kracht op een zo laag mogelijk niveau om een maximaal effect te bereiken. Alle psychologische en fysieke machtsmiddelen worden ingezet om de tegenstander te bewegen, te overreden of te dwingen de wil van Amerika uit te voeren.

Voor mij, als medevoorzitter van de groep en mede-auteur van het boek waarin voor het eerst de `shock and awe'-doctrine naar voren werd gebracht, heeft deze oorlog een bijzondere betekenis. De achterliggende filosofie van de doctrine is om een beslissende, snelle en qua mensenlevens en oorlogsverwoestingen goedkope overwinning te behalen. Maar in een oorlog bestaan geen garanties.

Het Amerikaanse volk en zijn regering kunnen zien dat de oorlog tot nu toe uitzonderlijk goed verloopt. Het Iraakse leger en het bewind van Saddam Hussein zijn verdoofd en geschokt door het angstaanjagende arsenaal aan Amerikaanse supertechniek en wapens. Grondtroepen rukken op naar Bagdad. Aangenomen wordt dat speciale troepen essentiële luchtlandingshoofden, bruggen en andere belangrijke doelen hebben ingenomen. De luchtoorlog tegen Bagdad biedt het meest zichtbare beeld van de manier waarop de oorlog is gevoerd.

De Amerikaanse kijk op de oorlog wordt evenwel niet overal in het buitenland gedeeld. Tegenstanders van de oorlog leveren kritiek op de strijdwijze, hoe menslievend de coalitie ook te werk gaat. Voor hen is menslievende oorlogvoering een contradictio in terminis. Er vallen doden en er wordt bezit vernietigd.

De overweldigende kracht van de Amerikaanse wapens en de relatieve afwezigheid van georganiseerd verzet worden zelfs uitgelegd alsof de plaatselijke bullebak een weerloos en nietig slachtoffer afranselt. Het paradoxale is dat Saddam en zijn boevenbewind in deze versie niet als schurken maar als slachtoffers naar voren komen.

Met hun naar verluidt 3.000 te verwoesten doelen worden de aanvallen gelijkgesteld aan de ergste luchtbombardementen uit de Tweede Wereldoorlog en beschouwd als pogingen om onschuldige Irakezen te terroriseren en te doden. Dat in de Amerikaanse oorlogsopzet het tegendeel het geval is, maakt op anti-oorlogsdemonstranten geen indruk.

Er vindt, kortom, een botsing van culturen plaats: de bijna-euforie in de VS botst met het groeiende wantrouwen in het buitenland, dat Amerika verdenkt van willekeurig gebruik van overmatig geweld. Die botsing kan alleen maar erger worden, ongeacht hoe vlug, beslissend en goedkoop Irak wordt verlost van Saddam Hussein. Mocht het een slepende oorlog worden en de burgerslachtoffers en schade nemen toe, dan zal deze botsing nog veel heviger worden.

Maar er staat nog iets belangrijkers op het spel. Wat telt is, hoe het na de oorlog gaat. Weinigen zullen betwijfelen of de coalitie de oorlog zal winnen. De vrede die volgt is minder zeker.

Voor de VS is één conclusie duidelijk. Als de overwinning in Bagdad eenmaal een feit is, weten ze dat ze het hart en het hoofd van de gewone Irakezen moeten winnen. Maar hóe ze die strijd moeten winnen is nog duidelijk. En er is geen parallelle `shock and awe'-strategie om vrede te brengen. Mochten de VS proberen Irak te `amerikaniseren', dan zal dat rampzalig blijken.

President George W. Bush heeft in deze oorlog méér dan zijn presidentschap op het spel gezet. Hij heeft zijn land op het spel gezet. Ook als met `shock and awe' een snelle en goedkope overwinning wordt behaald, is dat nog maar de eerste fase in een veel langere campagne om gerechtigheid en stabiliteit te brengen in een gebied dat wordt geteisterd door de kwaadaardigste vormen van geweld en haat die de wereld ooit heeft gekend.

Harlan Ullman is verbonden aan het Centre for Strategic and International Studies en mede-auteur van Shock and Awe: Achieving Rapid Dominance.