VS nemen Irak ook zakelijk in

Amerikaanse bedrijven mogen na de oorlog het voortouw nemen bij de wederopbouw van Irak. Bedrijven uit landen die tegen de oorlog zijn, hebben het nakijken. `We hopen dat we niet worden uitgesloten.'

Wie zijn, in het bedrijfsleven, de winnaars en verliezers van de oorlog tegen Irak? Jan Piet Warnar dacht twee maanden geleden nog dat hij bij de verliezers hoorde. Maar inmiddels voelt hij zich een winnaar.

Jan Piet Warnar is directeur van Airpack, een Nederlands bedrijf met veertig werknemers dat speciale apparatuur levert aan olie- en gasconcerns. Eind januari plaatste hij een personeelsadvertentie: ,,Wij bieden een jaarcontract en de mogelijkheid van een vaste overeenkomst, mits er geen oorlog uitbreekt in Irak.'' Want Warnar was er heilig van overtuigd dat een oorlog zijn handel stil zou leggen.

Maar inmiddels is zijn stemming omgeslagen. ,,Het klinkt raar'', zegt Warnar, ,,maar nu er oorlog is brengt dat voor het zakenleven helderheid.'' Bovendien, zegt de directeur, gaan olielanden als Iran, Libië en Saoedi-Arabië ,,harder pompen'' nu de uitvoer van Iraakse olie is gestopt. ,,En dan hebben ze onze apparatuur nodig.'' Airpack maakt compressie-installaties waarmee de druk in olievelden wordt opgevoerd.

Warnar is onlangs tien dagen in het Midden-Oosten geweest en kwam toen al – het was nog vrede – terug met allerlei `intentiecontracten', vooral uit Iran. ,,Het ziet er goed uit, ik ben veel optimischer geworden over onze markt.''

Geen optimisme daarentegen in Frankrijk, dat oneindig grotere belangen in Irak heeft dan Nederland. Frankrijk veroordeelt de Amerikaanse oorlogszucht en dat zou wel eens grote gevolgen kunnen hebben voor het Franse bedrijfsleven. Amerikanen hebben al uiting gegeven aan hun anti-Franse gevoelens door flessen Franse wijn demonstratief leeg te gieten.

The Wall Street Journal onthulde onlangs dat de Amerikaanse regering een contract voor reconstructiewerk in Irak ter waarde van 900 miljoen dollar alleen binnen een kring van `bevriende' landen heeft aanbesteed. Amerikaanse bouwbedrijven en machineleveranciers zijn uitgenodigd om op het project in te schrijven, evenals bedrijven uit Polen en Roemenië. Frankrijk niet. Rusland en Duitsland – ook tegen de oorlog – evenmin.

Eurocommissaris Chris Patten (buitenlandse betrekkingen) noemde deze gang van zaken ,,uiterst tactloos''.

Frankrijk heeft van oudsher nauwe economische relaties met Irak, maar door het embargo dat na de eerste Golfoorlog werd afgekondigd waren deze in het slop geraakt. Ondanks dat embargo zijn de relaties warmgehouden. Toen de sancties tegen Irak werden versoepeld, enkele jaren geleden, profiteerde Frankrijk daarvan als een van de eerste landen.

In 2002 nam de Franse export toe tot meer dan 3 miljard euro, vergeleken met ongeveer 650 miljoen euro in 2001 (ter vergelijking: in 2001 bedroeg de Nederlandse export naar Irak 36 miljoen euro). Vooral Franse farmaceutische bedrijven konden profiteren, omdat medicijnen onder het olie-voor-voedsel programma van de Verenigde Naties vielen. Maar nu het oorlog is, dreigt deze handel stil te vallen. Het Franse oliebedrijf TotalFinaElf aast al jaren op twee grote olievelden ten zuidoosten van Bagdad – Majnoon en Nahr Omar, met een totale reserve van naar schatting 20 miljard olievaten. Vanwege het embargo zijn de contracten voor deze velden nooit tot stand gekomen. Maar Sadam Hussein zou deze olievelden wel officieus alvast aan TotaalFinaElf hebben gegund.

Een woordvoerder van het concern zegt desgevraagd dat er op dit moment geen afspraken zijn met het Iraakse regime over de olievelden. Over de wederopbouw zegt zij: ,,We hopen dat we niet worden uitgesloten.'' De Franse concerns Peugeot en Renault verkochten onder het olie-voor-voedsel programma al tractoren, ambulance's en auto's aan Irak. Peugeot en Renault namen ook deel aan de grote handelsbeurs die vorig jaar november in Irak werd gehouden.

De grootste deelnemer aan het ruilprogramma was Rusland. Dat land sloot in 2001 contracten met Irak ter waarde van 1,3 miljard dollar. De Irakezen zouden meer contracten, met een totale waarde van 40 miljard euro, aan de Russen in het vooruitzicht hebben gesteld. Irak heeft ook nog een schuld uitstaan van ongeveer 7 miljard euro aan Rusland die dateert van voor de eerste Golfoorlog. Voor die tijd was de Sovjet-Unie een belangrijke leverancier van apparatuur voor oliewinning in Irak.

Een van de Amerikaanse bedrijven die mag meedingen naar het miljoenencontract van de Amerikaanse regering is Kellog, Brown & Root, een dochterbedrijf van Halliburton, de toeleverancier voor de olie-industrie uit Houston. Dick Cheney, de rechterhand van president Bush, was vroeger bestuursvoorzitter van Halliburton. Woordvoerders van het bedrijf ontkennen in de Amerikaanse media dat dit van invloed is geweest.

Ook het concern Boots & Coots International Well Control maakt goede kans om te worden betrokken bij de wederopbouw van Irak, zo meldde de Texaanse krant The Austin-American Statesman enkele dagen geleden. Boots & Coots was er ook in de eerste Golfoorlog bij en is gespecialiseerd in het blussen van brandende oliebronnen. De beurskoers van het bedrijf uit Houston is de afgelopen maand met 500 procent gestegen.

Zelfs het deels Britse Shell is bezorgd over de signalen uit de VS. ,,Wij willen ook een eerlijke kans krijgen om weer in dat olierijke gebied actief te worden'', verklaarde Jeroen van de Veer, topman van Koninklijke Olie, de Nederlandse tak van het concern, vorige maand.

Directeur Warnar van Airpack verwacht niet dat hij na de oorlog veel werk zal krijgen uit Irak. Hij verwacht dat de meeste opdrachten naar Amerikaanse bedrijven gaan. ,,Onze aartsrivaal zit in Houston, Texas. Die zal er wel van profiteren.'' Hij heeft in november voor het laatst een persluchtinstallatie aan een opdrachtgever in Irak geleverd. Daarna kreeg hij nog twee Iraakse orders met een totale waarde van 1,5 miljoen euro. Maar die zijn afgeblazen.