Een golf van oudjes

Europa vergrijst in snel tempo. Volgens een demografische studie van de Verenigde Naties zal in 2050 de helft van de bevolking in Europa ouder dan 50 jaar zijn. Dit lijkt me niet echt een zorgelijk vooruitzicht, al was het maar omdat het hier een uitspraak voor over vijftig jaar betreft. De demografen wagen zich aan voorspellingen over het voortplantingsgedrag van mensen die nog niet eens geboren zijn. Zo'n wetenschappelijke rapport heeft even veel waarde als de profetieën van Nostradamus. Minder zelfs, want de glibberige teksten van Nostradamus kan de lezer tenminste nog al interpreterend en projecterend naar z'n eigen hand zetten, terwijl de suffe, louter door extrapolatie van de huidige status-quo berekende vergrijzingspercentages door de eerste de beste oorlog, pandemie of economische totaalrecessie gelogenstraft zullen worden. Reken maar dat mensen na een ramp weer lustig aan het procreëren slaan.

De vergrijzing die zich voor onze neus in het heden en in de nabije toekomst afspeelt is natuurlijk veel zorgwekkender dan wat er eventueel over vijftig jaar staat te gebeuren. In 2010 worden de eerste babyboomers (geboren tussen 1945 en 1955) 65 jaar. In het daaropvolgende decennium komt er een vloedgolf van AOW- en pensioengerechtigden, die het straatbeeld gaan domineren, en vief als ze dan nog zijn, niets anders meer te doen hebben dan consumeren. Geen hamburgers met rapmuziek, maar concert-, theater- en museumbezoek, goede restaurants en veel buitenlandse tripjes.

Het denken in generaties heeft iets onuitstaanbaar oppervlakkigs, tegelijk valt er niet aan te ontkomen. Een gedeelde leeftijdscategorie schept een gedeeld verleden en dat geeft een band, of je het wilt of niet. Ik was niet bij het Kralingse popfestival (mocht niet, te jong), maar het feit dat ik er best naar toe had gewild, bestempelt me onverbiddelijk tot babyboomer. Hoewel ik als laatgeborene in die generatie zeker niet bij de voortrekkers hoorde, en later ook meegedaan heb aan het bekritiseren van de jaren-zestigidealen, vind ik het toch een leuke generatie om bij te horen. Zoals ik het ook leuk vind om Nederlander of vrouw te zijn – die aspecten maken nu eenmaal deel uit van mijn identiteit.

Wel hebben babyboomers vaak iets zelfgenoegzaams over zich. Sommigen menen dat zij louter op grond van hun aantallen de ouderdom naar hun hand zullen kunnen zetten, zoals zij hun hele leven een stempel op de maatschappij hebben gedrukt, eerst met de jeugdrevolte, later met het bezetten van de machtsposities. De protestgeneratie die naast seks het voor zichzelf opkomen meent uitgevonden te hebben, verwacht de zelfbeschikking tot de laatste snik voort te kunnen zetten. Voor hen geen autoritaire verpleegtehuizen, maar persoonlijk toegesneden zorg of met leeftijdsgenoten in een gezellige commune, waar je elkaar bijstaat.

Zo'n soort toekomstverwachting staat jammer genoeg geheel los van het wezen van de ouderdom. Kleuters zijn niet in staat de zaak naar hun hand te zetten in de klas, ook al zijn zij met hun dertigen en de kleuterjuf in haar eentje. Net zo min kunnen vergrijsde babyboomers de dienst blijven uitmaken, al zijn ze met nog zo veel. Een kwestie van macht die verloren gaat, niet alleen in maatschappelijk opzicht, maar ook puur fysiek. Eens wordt de bereikbaarheid van een verstaanbare dokter en ziekenhuis belangrijker dan een huisje in zonnige streken.

Over de onderlinge zorgzaamheid van generatiegenoten maak ik me weinig illusies. Nu ik nog kwiek middelbaar ben, heb ik al geen zin in buitenfamiliale lichamelijkheid, laat staan over twintig jaar. Nee, de babyboomers worden net zo naargeestig oud als iedereen die hen voorging. En omdat ze met zo veel zijn, wordt het dringen bij de voorzieningen, waardoor ze eerder zullen sterven, wat misschien weer een gelukje is.

    • Beatrijs Ritsema