Kruitvat

Een konijntje dat achtervolgd wordt door een hond maakt in zijn doodsnood rare manoeuvres. De pootjes roffelen op de aarde, de trilling is voelbaar, als je de ogen sluit denk je dat er een bizon in volle galop passeert. Een konijntje slaat hoeken. Net als de hond wil toehappen verandert het plotseling negentig graden van richting. Aan een konijntje met een hond op de hielen, daaraan doet de schaatsstijl van Erben Wennemars me denken.

Erben is een kruitvat. Kijken naar Erben is niet zonder gevaar voor de schaatsliefhebbers met een zwak hart. De adrenaline spat van het televisiescherm. Sterker nog, wie Erben bezig ziet krijgt zelf last van adrenalinestuwing. Kijk hem daar in starthouding staan: kromme zenuwpees met overspannen bekkie, ogen als nachtkijkers. Zie hem wegschieten. Hij slaat en prikt en schopt en duwt. Kijk hem die bocht induiken. Hij `loopt' niet, hij roffelt. En dan dat ingekapselde hoofd dat door een merkwaardig nekspasme iets naar achteren getrokken wordt. Voor het interpreteren van lichaamstaal hebben we in dit geval geen schaatsanalyticus nodig. Hier spreekt de wilskracht.

Er zit veel wilskracht in Erbens hoofd. Een fractie te veel heb ik wel eens gedacht. Zoals er in de Formule 1 door een iets te wilskrachtige voet motoren worden opgeblazen, zo worden er in de fysieke sporten lichamen opgeblazen. Of anders gaan er lichamen in staking tegen de wilskracht: zoek jij het lekker uit, idioot. Topsport is evenwichtskunst – al moet hier worden aangetekend dat het lichaam van de topsporter een zuiver fysieke waanzin niet vreemd is.

Erben Wennemars werd zaterdagmiddag wereldkampioen schaatsen op de 1.500 meter, en zondagmiddag wereldkampioen op de 1.000. Voor het eerst. Vooral na de 1.500 volgde een ontlading met wilde gebaren en een tranenvloed. Erben ontlaadde zich zoals hij schaatste: als een kruitvat. Ik raakte gefascineerd door zijn lippen. Erben heeft lippen als handgerolde worsten klei. Tijdens de inspanning zijn de worsten vertrokken in een neerwaartse boog, maar nu, meteen na de winnende rit, leken de kleilippen voor de eeuwigheid gebakken in een vreugdekramp. Er kwam geen einde aan.

Erben vertrok voor die 1.500 met een furie alsof hij slechts 500 meter behoefde af te leggen. ,,Hoe doe je dat toch'', verzuchtte na afloop een reporter die deze aanpak niet kon bevatten met het oog op het spook van de verzuring. ,,Knokk'n, vecht'n, nooit opgev'n'', jubelde Erben. ,,Zo doe ik het al jar'n. Dit moest een keer lon'n.''

Van dit amateurisme ging mijn hart open.

    • Peter Winnen