Stelletje

Op de publieke tribune van de Tweede Kamer zaten gisteren een jonge man en een jonge vrouw, die nog iets hadden van een jongen en een meisje, samen op stap in de grote stad.

Een stelletje.

Je kon merken dat ze nog nooit eerder in deze omgeving waren geweest. Ze keken hun ogen uit. Af en toe stootten ze elkaar aan.

,,Goh, die Balkenende is ieler dan ik dacht'', zei het meisje dan.

,,Ik wist niet dat hij zo kon stamelen'', zei de jongen.

,,Wees blij, je kunt hem nu tenminste volgen'', zei het meisje.

De avond tevoren hadden ze tegen elkaar gezegd: ,,Wat zullen we morgen eens gaan doen?''

Ze verveelden zich de laatste tijd nogal. De jongen had weinig om handen, omdat zijn bedrijfje op de klippen was gelopen. Hij was het in een opwelling van overmoed, ja misschien zelfs wel hoogmoed, begonnen. Zijn meisje had dankzij haar familie overal goede relaties en hij had daarvan zoveel mogelijk gebruik willen maken. Waarom niet?

Nou ja, het was wel een beetje een náre familie. Althans, ze konden naar doen als ze je niet erg mochten. Die neefjes gedroegen zich dan als hufters en ze hadden een opa die nog altijd deed alsof hij de Tweede Wereldoorlog in zijn eentje had gewonnen.

Helaas, met dat bedrijfje was het niets geworden. Niemand wilde erin stappen. Nu kon dat best aan hemzelf liggen, maar waarom zou je daarvan uitgaan? Een man moest in zichzelf geloven, anders hield het op. Hij was zo'n man. Hij geloofde zo ontzettend in zichzelf dat zelfs zijn meisje soms tegen hem moest zeggen: ,,Hou je een beetje rustig.''

De jongen kneep nog eens goed in de hand van het meisje. Hij leunde opzij en drukte een kus vlak onder haar linkeroor. Lekker plekje. ,,Gekkie'', had ze bijna gezegd, maar ze hield zich in, want er zaten nogal wat mensen om hen heen. De mensen konden zich tegenwoordig zo opdringerig gedragen.

De jongen en het meisje hielden zo overduidelijk van elkaar dat het op een demonstratie begon te lijken. Alsof ze tegen de buitenwereld wilden zeggen: jullie denken wel dat wij niet bij elkaar passen, maar reken er vooral niet op dat je een wig tussen ons kunt drijven.

,,Laten we eens naar het Binnenhof gaan'', had het meisje gezegd toen ze er niet goed uitkwamen. Zij gaf graag toe aan spontane invallen, ze had haar hele leven weinig anders hoeven doen. Werken hoefde ze niet, want er was geld genoeg in de familie.

En daar zaten ze dan. De meeste gezichten beneden hen kwamen hun onbekend voor. Alleen Harry kenden ze toevallig persoonlijk, die kwam de laatste tijd vaak langs. De jongen keek nog eens goed naar Femke. Mooi haar, dacht hij, maar wat zei ze toch? Ze had steeds over `bil-lijken'. Dus niet `bil-lijken', maar `bil-lijken', alsof het om dooie billen ging.

De jongen geeuwde. Hoe lang ging dit nog duren? Hij had zin in iets spannenders. Iets waarmee hij die rare familie van haar een beetje kon opschudden, iets waarvan die vervelende neefjes tegen hun stijve moeder zouden zeggen: ,,Daar heb je hém weer.''

Hij keek zijn meisje aan. ,,Kom'', zei hij, ,,we gaan een ritje maken.''

    • Frits Abrahams