Thom de Graaf: Alles ging fout, wat fout kon gaan

Thom de Graaf, D66-kamerlid en oud-topambtenaar van Binnenlandse Zaken, is niet onder de indruk van de brief van Balkenende.

Na een doorwaakte nacht – om de kort voor middernacht op de website van Ministerie van Algemene zaken geplaatste brief te kunnen bestuderen – concludeert D66-woordvoerder staatsrecht Thom de Graaf: ,,ten aanzien van het BVD-onderzoek naar De Roy van Zuydewijn lijkt alles fout te zijn gegaan, wat er maar fout kon gaan''. Voorts acht hij de brief op veel punten onduidelijk. ,,Als de premier met zijn brief als strijkijzer de plooien heeft willen gladstrijken, dan is dat niet gelukt'', aldus De Graaf.

Zo constateert De Graaf dat in de brief wordt geconstateerd dat voor een onderzoek zoals de BVD heeft verricht, alleen `ernstige vermoedens' ten aanzien van De Roy van Zuydewijn's integriteit en gevaar voor de veiligheid en de `gewichtige belangen van de staat' de rechtvaardiging konden vormen. ,,Maar of er voldoende ernstige vermoedens waren, wordt in de brief niet duidelijk.''

,,En vervolgens gaat het plaatsvervangend hoofd van de BVD op eigen houtje allerlei dossiers lichten, zonder het hoofd van de dienst in te lichten en ook zonder dat de minister van Binnenlandse zaken op de hoogte wordt gesteld'', aldus De Graaf. ,,De BVD licht vervolgens de directeur van het Kabinet van de Koningin in over de uitkomsten van het onderzoek, ervan uitgaande dat hiervoor een duurzame machtiging bestond. Die machtiging was echter niet schriftelijk vastgelegd – zodat je volgens mij rustig kunt zeggen dat zij niet bestond. Maar als onduidelijk was of dit wettelijk mocht, dan was het toch logisch geweest de minister daarover in te lichten?''

Vervolgens geeft de directeur van het Kabinet van de Koningin weer de vader van Margarita inzage in de bevindingen van de BVD, alsmede haar broer en later ook nog Prins Bernard. Volgens de brief was daarvoor geen machtiging nodig, maar kennelijk heeft het kabinet ook niet de minister-president van deze handelwijze op de hoogte gesteld, merkt De Graaf op. ,,Kennelijk heeft de BVD de directeur van het Kabinet ook geen restricties opgelegd bij het verspreiden van de bevindingen van de BVD.''

Op dit punt is gezondigd tegen het staatsrechtelijk principe dat ,,er geen bevoegdheid is zonder verantwoordelijkheid'', meent De Graaf. De zaak lijkt temeer ernstig, meent hij, daar de vader na zijn scheiding van prinses Irene al lange tijd zelfs niet meer deel uitmaakt van de koninklijke familie.

Ook vindt de D66-woordvoerder het merkwaardig dat volgens de brief De Roy zelf niet op de hoogte is gesteld van de diverse onderzoeken, daar het immers – schrijft het kabinet – geen officiële benoeming betrof.

,,Het allerergste blijft toch dat geen enkele minister van alles wat er gebeurd is op de hoogte is gesteld'', meent De Graaf, noch de minister-president, noch de ministers van binnenlandse zaken of Justitie. Hij merkt overigens op dat de premier kennelijk meent dat op grond van de onschendbaarheid van het staatshoofd in de brief zelfs niet te kunnen zeggen of de koningin inzage heeft gehad in de BVD-bevindingen. ,,Gaat dat niet wat vér?''

Op andere terreinen blijft de brief vaag, meent De Graaf. Over het onderzoek dat, naast dat van de BVD, door de DKDB is ingesteld, wordt in de brief van de minister-president weinig verteld. De Graaf acht de schildering rond de gang van zaken rond De Roy's belastingpapieren wel aannemelijk.

Zeer stoort hij zich echter aan de passage aan het eind van de brief, of het mogelijke afluisteren van het prinselijk paar. De Graaf: ,,Onder het kopje `Overig' staat daar nu dat `in dit kader' niet een woning is afgeluisterd. Maar vervolgens staat er, dat bij concrete aanwijzingen van het tegendeel, het kabinet een onderzoek zal instellen. Dat is raar. Of het kabinet moet zeggen: er is niet afgeluisterd. En dan is de kous af. Of ze weten het niet, en dan moeten ze dat zeggen en verder onderzoeken''.

De Graaf `betreurt' dat in de brief het optreden van de directeur van het Kabinet van de Koningin gebillijkt wordt, terwijl diens doorspelen van informatie aan verwanten van Margarita toch tenminste op gespannen voet staat met de geest van de wet. ,,Er moet duidelijk een oplossing komen voor de politieke verantwoordelijkheid voor het optreden van het Kabinet van de Koningin. Hoe het nu is gegaan, is duidelijk archaïsch, ongewenst en ongepast''.

De brief van vannacht laat voor het kamerdebat nog veel vragen over, meent De Graaf. Daaronder is bijvoorbeeld, of de twijfels die destijds hebben bestaan ten aanzien van de integriteit van De Roy van Zuydewijn , nu eigenlijk zijn weggenomen, of dat deze nog voortbestaan.

Of na deze brief het kabinet nog kan bijdragen aan een oplossing voor de tussen De Roy en Margarita en de koninklijke familie gerezen problemen, zoals Balkenende aan het eind suggereert, betwijfelt hij. ,,Een brief waarin openlijk gewag gemaakt wordt van de twijfels aan De Roy's integriteit, lijkt daarvoor niet geëigend''.

    • Raymond van den Boogaard