Gerecht en scherven

Niet-antieke scherven werden meestal weggegooid in Griekenland. Ten onrechte. Joanita Vroom schreef een standaardwerk over Grieks aardewerk, ná de klassieke tijd.

Er was in Griekenland leven na de oudheid. Byzantijnen, kruisvaarders, Turken en moderne Grieken hebben de afgelopen veertien eeuwen ook hun sporen in de bodem achtergelaten. Maar archeologen hebben er lang niet naar omgekeken. `Digging through the Byz' was het motto. Met graafmachines verwijderden ze de toplaag met in hun ogen oninteressant materiaal uit latere tijden om zo snel mogelijk de lagen uit de klassieke oudheid te kunnen onderzoeken.

Joanita Vroom, onlangs aan de Universiteit Leiden gepromoveerd op After Antiquity, heeft zich nu eens wel om die latere tijden bekommerd. Haar pionierswerk leverde de eerste typologische chronologie voor aardewerk uit de zevende tot en met de twintigste eeuw in het oostelijk Middellandse-Zeegebied, ze ontdekte ook een relatie tussen eetgewoonten en de wijdte van potjes en schalen.

Voor het eetonderzoek boog ze zich onder meer over oude kookboeken en reisverslagen. Dat leverde sappige verhalen op over onder meer Liutprand, de Duitse bisschop van Cremona, die in het midden van de tiende eeuw een bezoek bracht aan Constantinopel en zijn beklag deed over de Byzantijnse keuken. In de westerse keuken van die tijd golden groenten als inferieur en hij zag met afschuw hoe zijn Byzantijnse gastheer rauwe sla at, evenals een vleesgerecht met ui, prei en knoflook en overgoten met garum, een van rottende vis gemaakte zoutmaker. Verder vond hij de met hars en gips op smaak gebrachte Griekse wijn ondrinkbaar. Op hun beurt gaven de Byzantijnen af op de vieze en onhygiënische kookmethoden van de kruisvaarders en maakte de Byzantijnse staatsman en historicus Niketas Choniates de Franken belachelijk, omdat ze gekookte runderrug en gerookt varken met gestampte erwten aten. In de Osmaanse tijd was het niet anders. De Franse reiziger en geograaf Nicolas de Nicolay schreef in 1551 dat het Turkse eten slecht, karig en niet verfijnd was. Maar de Turkse reiziger Evliya Çelebi concludeerde honderdveertien jaar later na een bezoek aan Wenen dat alleen de Ottomanen wisten wat eten was. ``Zelfs in India en Perzië is het eten niet goed: alleen hun rijstschotels zijn befaamd.''

Ondanks het openlijk op elkaars keukens afgeven, waren er invloeden over en weer, blijkt uit Vrooms studie van afbeeldingen van onder meer het Laatste Avondmaal op ikonen. In de Vroeg-Byzantijnse tijd, van de vijfde tot achtste eeuw, lagen de disgenoten in Griekenland nog op klassieke wijze aan aan een halfronde lage tafel, met het voedsel op een grote, lage schaal in het midden. Eten ging toen nog, zoals het een beschaafd mens betaamde, met de hand. In de vier volgende eeuwen deed de rechthoekige tafel zijn intrede, kwamen er tafelkleden, servetten en drinkbekers en gingen de eters rechtop zitten. Met de komst van de kruisvaarders verdween de grote schaal van tafel om plaats te maken voor meer, kleinere en diepere schalen, die twee tot drie tafelgenoten met elkaar deelden. De Turken brachten na de inname van Constantinopel in 1453 de grote centrale schaal weer terug op een lage, ronde tafel, met de eters op de grond. De grote open schotels kregen vanwege de vele vloeibare gerechten een vochtwerende glazuurlaag. Die situatie bleef bestaan tot in de negentiende eeuw, toen met name de elite in Istanbul westerse gewoonten over begon te nemen en weer aan tafel ging zitten. Voortaan kreeg iedere eter zijn eigen kleine bord, bestek en glas. Veranderingen door de eeuwen heen die Vroom ook terugvond in haar Boeotisch aardewerk.

Hoe raakt een klassiek archeologe in de materiële cultuur van de zevende tot en met de twintigste eeuw verzeild?

``Ik heb in Utrecht ook geschiedenis gestudeerd en me met de Middeleeuwen beziggehouden. Ik heb dus altijd geprobeerd een brede blik te ontwikkelen. Het is grappig om te zien dat in mijn onderzoek nog meer zaken uit mijn studietijd samenkomen. Mijn interesse voor de historie van eten heb ik onder andere te danken aan Marietje van Winter, de vroegere hoogleraar middeleeuwse geschiedenis. Zij bestudeerde de middeleeuwse keuken, maakte de gerechten uit door haar gevonden recepten heel precies na en probeerde die op haar studenten uit. Dat is niet iedereen even goed bekomen.''

Als zoveel archeologen die eind jaren tachtig afstudeerden was het voor Vroom niet eenvoudig om in haar vak aan de slag te komen. Naast journalistiek werk deed ze 's zomers onderzoek bij opgravingen en veldverkenningen in Griekenland. Tijdens dat werk hield ze zich bezig met aardewerk uit alle tijden de prehistorie, de klassieke periode, de Romeinse tijd, maar ook met de middeleeuwse en post-middeleeuwse scherven. ``Ik gooi nooit iets weg. Terwijl anderen wel eens roepen `wat doe je nou, dat is toch kitsch?' teken ik zonder onderscheid ook de scherven uit latere tijden en leg hun gegevens op archeologische wijze vast. Met het idee dat deze scherven, net als die uit de klassieke oudheid, iets vertellen over menselijke activiteiten op een plek.''

Ze publiceerde haar bevindingen in vaktijdschriften en trok daarmee zes jaar geleden de aandacht van John Bintliff, nu hoogleraar klassieke archeologie in Leiden, toen docent aan de universiteit in het Engelse Durham. Hij was een van de leiders van een uitgebreide en langdurige veldverkenning in Boeotië, in Midden-Griekenland. De Engelsen liepen gedurende een paar jaar in de zomer grote delen van het platteland af om aan de hand van archeologische vondsten aan de oppervlakte historische vindplaatsen in kaart te brengen. Deze onderzoeksmethode levert anders dan een opgraving van één vindplaats een beeld van de bewoningsgeschiedenis van een uitgebreid gebied. De Engelsen hadden in de loop der jaren 12.000 middeleeuwse en post-middeleeuwse scherven verzameld en Bintliff vond in Vroom iemand die ze kon bestuderen. ``Ik heb ze alle 12.000 door mijn handen laten gaan en de beste geselecteerd. Zo hield ik een studiecollectie van 2800 scherven over.''

Maar voor een typochronologie heb je toch meer nodig dan scherven die aan de oppervlakte zijn gevonden?

``Gelukkig hebben de laatste jaren sommige archeologen in Griekenland bij hun opgravingen wel vondsten uit latere perioden vastgelegd of bewaard. Daarom had ik in Thebe en Corinthe de gelegenheid om aardewerk in een stratigrafische context te bestuderen. Verder kon ik post-middeleeuwse vindplaatsen in Boeotië dateren aan de hand van Osmaanse belastingregisters en verhalen van reizigers.''

Vroom onderscheidt in chronologische volgorde 48 soorten aardewerk. Het begint met de in de Vroeg-Byzantijnse tijd lokaal geproduceerde Askra Ware van rode klei en loopt via Painted Fine Sgrafitto Ware uit de Midden-Byzantijnse tijd en de veelkleurige Turkse Iznik Ware en Kütahya Ware uit de 15e tot 18e eeuw tot Grottaglie Pottery, een goedkope Apulische imitatie van faience uit de moderne tijd.

Eerbiedwaardig werk, dat het archeologen voortaan mogelijk maakt het materiaal te gebruiken om andere post-klassieke vondsten te dateren. Maar voor Vroom was dat nog niet genoeg. Geïnspireerd door middeleeuws en post-middeleeuws onderzoek in Nederland en elders in West-Europa, wilde ze laten zien dat ook met aardewerk uit het Middellandse-Zeegebied meer te doen is dan dateren of kunsthistorisch verantwoord de decoraties beschrijven. De potten, pannen en schalen zijn namelijk ooit gemaakt, verhandeld en gebruikt. ``Achter het aardewerk zitten mensen. De scherven kunnen iets zeggen over het dagelijks leven en sociaal-economische ontwikkelingen.''

Zo bestudeerde Vroom wat de wereldsysteem-theorie van de Amerikaanse socioloog Immanuel Wallerstein kon zeggen over grootschalige economische processen in het kleine Boeotië. Wallerstein is in de jaren zeventig gekomen met zijn theorie dat West-Europa vanaf 1450 in een modern kapitalistisch wereldsysteem is veranderd, dat wil zeggen in een economische eenheid die bestaat uit verschillende politieke eenheden, staten dus. In de periferie van dat wereldsysteem stagneerde het Osmaanse rijk, een voorbeeld van een wereldrijk, dat vanwege die ene overkoepelende politieke structuur een starre economie kende. Volgens Wallerstein verspreidde de wereldeconomie zich steeds verder door zijn eigen interne dynamiek en slokte de economische productie van het Osmaanse rijk op.

Het viel Vroom op dat vanaf de zestiende eeuw in Boeotië, toen onderdeel van het Osmaanse rijk, het uit Italië afkomstige tingeglazuurde Majolica-aardewerk meer voorkwam dan het ook tingeglazuurde, maar in het Osmaanse rijk zelf geproduceerde Iznik en Küthaya. Een aanwijzing dat de vroeg-kapitalistische economie al tot Midden-Griekenland was doorgedrongen.

U zegt dit op basis van 32 scherven Majolica en 45 scherven Majolica-imitatie tegenover vier scherven Iznik en Kütahya. Is dat statistisch wel verantwoord?

``Voor mij was het al opvallend dat Majolica sowieso in het agrarische en wat perifere Boeotië voorkwam. Als je dat vergelijkt met het veel dichter bij Italië gelegen Albanië. In de havenstad Butrint komt wel Majolica voor, maar in het Albanese achterland helemaal niet. Boeotië was niet echt op zee georiënteerd, maar was blijkbaar welvarend genoeg om allerlei verre handelscontacten te hebben. De welvaart van de Boeotische dorpen en steden kan trouwens ook gewoon te maken hebben met de wederopbloei van de ouderwetse lokale markten. Dat wil zeggen dat de Vroeg-Osmaanse economie wel verwesterde door de import van westerse spullen maar nog niet het kapitalistische systeem overnam.''

Hoe reageren andere archeologen op het onderzoek?

``De buitenlandse archeologen in Griekenland en Turkije besteedden de laatste jaren al aandacht aan materiaal uit de post-klassieke periode. De Grieken zelf hebben lang moeite gehad om materiaal uit de tijd van de Turkse overheersing te bestuderen. Ze hadden tot 1950 wetgeving die alleen archeologische vondsten beschermde van vóór 1453, vóór de val van Constantinopel. De meeste aandacht gaat ook nog steeds naar de klassieke oudheid. Bij staatsexamens voor belangrijke archeologische banen gaat bijna negentig procent van de vragen over klassieke archeologie. Maar er is iets aan het veranderen, de Grieken beginnen nu wel belangstelling voor latere perioden in hun geschiedenis te tonen, vooral de jongere archeologen. Dat geldt ook voor de Turken.''

Vroom werkt op een terrein met nog weinig concurrentie en is daarom intussen een veelgevraagde specialiste, die niet om werk verlegen zit. De ene keer zit ze bij Engelse opgravingen in het Albanese Butrint, de volgende keer bij de Turks-Oostenrijkse opgravingen in Efese of de Italiaanse opgravingen bij de rivier de Eufraat in Oost-Turkije. Ze is verder onlangs post-doc Research Fellow geworden in Norwich. ``Gefinancierd door de David Packard Foundation. Ja, hij is de zoon van een van de oprichters van Hewlett Packard, maar hij is ook classicus. Hij heeft in 1968 nog een alfabetisch register op Livius geschreven.''

    • Theo Toebosch